
Jurisprudentie
AQ1732
Datum uitspraak2004-06-30
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers03/04459
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers03/04459
Statusgepubliceerd
Indicatie
Parkeerbelasting. Vergunningsvoorschrift dat de vergunning van maandag tot en met zaterdag van 9.00 tot 19.00 uur niet geldig is voor parkeren in een winkelstraat is niet onredelijk.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Tiende Enkelvoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
de uitspraak met dagtekening 17 november 2003 van Y van de gemeente P, verweerder, betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
Het beroep is behandeld ter zitting van 16 juni 2004. Belanghebbende is, hoewel daartoe op de voorgeschreven wijze opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
Beslissing
Het Hof
- verklaart het beroep ongegrond, en
- gelast de gemeente P het gestorte griffierecht ad € 31 aan belanghebbende te vergoeden.
Gronden
1.1. In de Verordening parkeerbelastingen 2003 van de gemeente P (hierna: de belastingverordening) is onder meer het volgende vermeld (tekst 2003):
“(...) Art. 1
Onder de naam van parkeerbelastingen worden de volgende belastingen geheven:
a. een belasting terzake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het College van Burgemeester en Wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze [Hof: hierna de A-belasting];
b. een belasting terzake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze [Hof: hierna de B-belasting].
(...)
Art. 2
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen, voor het openbaar verkeer openstaande, terreinen of weggedeelten waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden (…)
Art. 4
De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren.
De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel b, is verschuldigd bij het verlenen van de vergunning.
(…)
Art. 6
De belasting, bedoeld in art. 1. onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte, en wel door middel van het werpen van geld in parkeerapparatuur of door middel van het elektronisch betalen bij parkeerapparatuur en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren. (...)
De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij het verlenen van de vergunning. (...)”
1.2. In de Parkeerverordening 2002 van de gemeente P (hierna: de parkeerverordening) is onder meer het volgende vermeld (tekst 2003):
“Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Art. 1
Begripsomschrijvingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
l houder van een motorrijtuig: degene die beschikt over een op zijn naam gesteld kentekenbewijs van het desbetreffende motorrijtuig (...)
s parkeren: gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorrijtuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden en lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden
(...)
t parkeerkaart: kaart waarmee parkeerbelasting wordt geheven, krachtens welke het is toegestaan een motorrijtuig te parkeren op een parkeerapparatuurplaats
(...)
x parkeervergunning: vergunning als bedoeld in art. 5, lid 2, waarvoor parkeerbelasting wordt geheven, krachtens welke het is toegestaan een motorrijtuig te parkeren op een parkeerapparatuurplaats
(...)
ac vergunning: een parkeervergunning of een bijzondere, als bedoeld in art. 5;
ad vergunninghouder: natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend;
ae vergunninggebied: gebied waarbinnen parkeervergunningen kunnen worden verleend indien en voorzover in dat gebied voor parkeren parkeerbelasting wordt geheven;
(...)
Art. 2
Regulering parkeren.
1. Regulering van het gebruik van parkeerplaatsen geschiedt op basis van deze verordening door middel van parkeervergunningen, bijzondere vergunningen en parkeerkaarten.
2. Indien tot enige vorm van regulering van het gebruik van parkeerplaatsen wordt besloten, geschiedt dit met inachtneming van het bepaalde in deze verordening en de krachtens deze verordening vastgestelde regelingen.
(...)
Art. 3
Burgemeester en Wethouders stellen met inachtneming van het bepaalde in deze verordening nadere regels vast aangaande:
(…)
j. het al dan niet binnen een vergunninggebied naar tijd en plaats beperken van de geldigheid van bepaalde parkeervergunningen.
(..)
Art. 4
Bloktijden.
1. Indien voor parkeren parkeerbelasting wordt geheven, geschiedt dit in ieder geval voor de periode van maandag tot en met zaterdag van 09:00 tot 19:00 uur.
(...)
Hoofdstuk 2. Vergunningen en kaarten.
Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake de vergunningen.
Art. 5
Soorten vergunningen.
1. Op basis van deze verordening (…) worden parkeervergunningen en bijzondere vergun-ningen verleend.
2. De op basis van deze verordening te verlenen parkeervergunningen betreffen (…):
a de bewonersvergunning, als bedoeld in art. 7
(…)
Art. 7
De bewonersvergunning.
1. Een bewonersvergunning wordt verleend aan de houder van een motorrijtuig die bewo-ner is van een zelfstandige woning, gelegen in een vergunninggebied.
(...)
Art. 25
Gegevens en voorschriften.
(...)
1. Aan een vergunning worden - voorzover van toepassing - in ieder geval de volgende voorschriften verbonden:
a de vergunning is uitsluitend geldig voor het parkeren van het motorrijtuig waarvan het kenteken, respectievelijk de code, aan de voorzijde van de vergunning is vermeld;
b tijdens het parkeren moet de vergunning goed zichtbaar in de linkerbenedenhoek achter de achterruit zijn aangebracht, zodanig dat de voorzijde van de vergunning duidelijk ten genoegen van de parkeercontrole is te lezen.
(...)”
2.1. Aan belanghebbende, houder van een voertuig met kenteken CC-CC-CC (hierna: de auto), is voor het onderhavige vergunninggebied een bewonersvergunning verleend op genoemd kenteken (hierna: de vergunning). Op de vergunning staat vermeld dat zij van maandag tot en met zaterdag van 9.00 tot 19.00 uur niet geldig is voor het parkeren in een winkelstraat. De D-straat is een winkelstraat in voormelde zin.
2.2. Belanghebbende heeft op zaterdag 10 mei 2003 de auto geparkeerd op de D-straat tegenover nummer 1 te P.
2.3. Om 17.11 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat er geen geldige parkeervergunning, noch een geldig parkeerkaartje, in de auto lag. Aan belanghebbende is om die reden de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Aan belanghebbende is, met dagtekening 14 juni 2003, een betalingsherinnering verstuurd. Tegen de naheffingsaanslag heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend, gedagtekend 23 juni 2003, dat bij verweerder is ingekomen op 26 juni 2003. Verweerder heeft de na-heffingsaanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.
3.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift oordeelt het Hof als volgt. In het arrest van 1 maart 2000, nr. 34 577, gepubliceerd in BNB 2000/169, heeft de Hoge Raad overwogen dat in artikel 234, achtste lid, van de Gemeentewet in afwijking van artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 - ingevolge welk artikellid de bekendmaking van de aanslag geschiedt door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet - is bepaald dat, indien het niet mogelijk is het aanslagbiljet terstond aan de belastingschuldige uit te reiken, kan worden volstaan met het aanbrengen van het aanslagbiljet op of aan het voertuig. Kennelijk is de wetgever van oordeel geweest dat een dergelijke wijze van bekendmaking, die is te beschouwen als een andere geschikte wijze van bekendmaking zoals bedoeld in het huidige artikel 3:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), de belastingschuldige voldoende waarborgen biedt, ook met het oog op het instellen van bezwaar binnen de gestelde termijn, die blijkens artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) aanvangt met de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet of de eventueel daarna gelegen (maar bij toepassing van voormeld artikel 234, achtste lid, daarmee samenvallende) dag van de bekendmaking. Wel is bij de totstandkoming van deze bepaling onderkend dat aan deze wijze van bekendmaking bezwaren verbonden zijn en heeft de regering in dat verband opgemerkt dat het aanbeveling verdient dat bij niet-betaling van de naheffingsaanslag met de aanmaning steeds een duplicaat van het aanslagbiljet wordt verzonden. In de wetsgeschiedenis is evenwel geen aanknopingspunt te vinden voor de veronderstelling dat bedoeld is in afwijking van de tekst van de wet de termijn voor het instellen van bezwaar eerst te doen ingaan na de dagtekening of bekendmaking van de bedoelde aanmaning met duplicaat. Nu voorts in geval van termijnoverschrijding bij de toepassing van artikel 6:11 van de Awb rekening kan worden gehouden met de wijze waarop de naheffingsaanslag is bekendgemaakt, bestaat er ook vanuit het oogpunt van rechtsbescherming van de belastingplichtige geen noodzaak die termijn niet op het tijdstip van het op of aan het voertuig aanbrengen van het aanslagbiljet te laten ingaan.
3.2. Vaststaat dat de naheffingsaanslag is gedagtekend 10 mei 2003. Het Hof acht aannemelijk, dat de parkeercontroleur, zoals verweerder heeft gesteld, direct na het opleggen van de naheffingsaanslag, deze op of aan de auto heeft aangebracht. Belanghebbende had, gelet op het bepaalde in artikel 6:7 van de Awb in verbinding met artikel 22j, aanhef en onder a, van de Awr, binnen een termijn van 6 weken na de dag van dagtekening van de naheffingsaanslag ofwel uiterlijk 23 juni 2003 bezwaar tegen de naheffingsaanslag moeten indienen. Vaststaat voorts dat het bezwaarschrift, gedagtekend 23 juni 2003, bij verweerder is ingekomen op 26 juni 2003. Nu het bezwaarschrift door verweerder is ontvangen op 26 juni 2003 en gesteld noch gebleken is dat het bezwaarschrift per post is verzonden, is het Hof van oordeel dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Het vorenoverwogene brengt mee dat het bezwaar wegens overschrijding van de daarvoor gestelde termijn niet-ontvankelijk is, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, in welk geval de overschrijding van de termijn verschoonbaar is te achten. Belanghebbende heeft gesteld dat hij eerst door ontvangst van de betalingsherinnering op de hoogte werd gesteld van het bestaan van de naheffingsaanslag en dat hij de naheffingsaanslag nooit heeft ontvangen. Nu verweerder het tegendeel niet kan bewijzen en het zeer wel mogelijk is dat het aanslagbiljet op de een of andere wijze verloren is gegaan voordat belanghebbende er kennis van heeft genomen, gaat het Hof van de juistheid van belanghebbendes stelling uit en is het van oordeel dat de reden die belanghebbende voor de termijnoverschrijding aanvoert een omstandigheid is op grond waarvan redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat belanghebbende in verzuim is geweest. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift als gevolg van termijnoverschrijding blijft mitsdien achterwege.
4. In geschil is of de naheffingsaanslag aan belanghebbende mocht worden opgelegd op een moment dat de meeste winkels in de straat waar de auto stond geparkeerd gesloten waren.
5.1. Verweerder stelt dat, nu niet is voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
5.2. Belanghebbende bestrijdt dat de naheffingsaanslag terecht aan hem is opgelegd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende in de stukken en ter zitting, samengevat en in hoofdzaken weergegeven, het volgende aangevoerd.
a. Verweerder heeft het motiveringsbeginsel geschonden.
b. Het aan de vergunning verbonden voorschrift dat de vergunning van maandag tot en met zaterdag van 9.00 tot 19.00 uur niet geldig is voor parkeren in een winkelstraat is onredelijk, voorzover op dat tijdstip de winkels zijn gesloten.
6. Artikel 7:12 van de Awb bepaalt dat de beslissing op het bezwaar op een deugdelijke motivering dient te berusten, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied. Nu het laatste niet is gebeurd en verweerder niet is ingegaan op belanghebbendes enige grief - die neerkwam op hetgeen onder 5.2, letter b, vermeld staat - is het Hof van oordeel dat verweerder genoemde wetsbepaling heeft geschonden. Het Hof zal verweerder om die reden in de proceskosten veroordelen en verweerder gelasten het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.
Indien belanghebbende stelt dat schending van genoemd voorschrift tot vernietiging van de bestreden uitspraak moet luiden, faalt dit verweer. Voor zover bij belanghebbende onvoldoende duidelijkheid heeft bestaan over de feitelijke en juridische grondslag van de afwijzing van zijn bezwaar, is het Hof van oordeel dat in de loop van de procedure voor het Hof voldoende duidelijkheid daaromtrent bij hem is ontstaan. Hij is voorts in de gelegenheid geweest zich daaromtrent uit te laten. Gelet hierop en onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb oordeelt het Hof dat belanghebbende niet wordt benadeeld door de schending van artikel 7:12 van de Awb. Daar komt bij dat - indien het Hof de uitspraak zou vernietigen en verweerder zou opdragen een nieuwe uitspraak te doen - de kans te verwaarlozen is dat verweerder in zijn nieuwe uitspraak tot een andere beslissing zou komen dan hij in zijn verweerschrift verdedigd heeft.
7.1. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende als vermeld onder 5.2.b oordeelt het Hof als volgt. In de belastingverordening is de verhouding tussen de A- en B-belasting niet geregeld. Klaarblijkelijk is het stelsel van de belastingverordening dat de A-belasting niet is verschuldigd indien wordt geparkeerd met een vergunning waarvoor de B-belasting is voldaan. Indien niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden is geen sprake van parkeren met die vergunning (Hoge Raad 17 december 1997, nr. 32 834, BNB 1998/46).
7.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder j, van de parkeerverordening zijn Burgemeester en Wethouders bevoegd nadere regels te stellen met betrekking tot het naar tijd en plaats beperken van de geldigheid van een parkeervergunning. Vaststaat dat de vergunning de bepaling bevat dat zij van maandag tot en met zaterdag van 9.00 tot 19.00 uur niet geldig is voor het parkeren in de D-straat (verder het vergunningvoorschrift). Uit hetgeen verweerder onweersproken gesteld heeft, leidt het Hof af dat het vergunningvoorschrift op basis van eerdergenoemd artikel 3 is vastgesteld.
Gelet op 2.2, 2.3 en het onder 7.1 overwogene, is het Hof van oordeel dat de naheffingsaanslag in overeenstemming met de belastingverordening is opgelegd.
7.3. Belanghebbende betoogt dat het vergunningvoorschrift uitsluitend ertoe strekt het winkelend publiek ter wille te zijn. Omdat de naheffingsaanslag is opgelegd op een tijdstip dat de meeste winkels in de D-straat gesloten zijn, is er zijns inziens geen enkel redelijk doel gediend met het handhaven van dit voorschrift.
Voorzover belanghebbende bedoelt te stellen dat het vergunningvoorschrift tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing leidt die de wetgever met het toekennen van de bevoegdheid aan gemeenten om een parkeerbelasting in te voeren niet op het oog kan hebben gehad (en derhalve in strijd is met de Gemeentewet ), acht het Hof belanghebbendes opvatting onjuist. De belastingverordening en de parkeerverordening strekken er immers toe om in overeenstemming met artikel 225, eerste lid, van de Gemeentewet het parkeren in P te reguleren en van het vergunningvoorschrift gaat naar het oordeel van het Hof een regulerende werking uit. Daaraan doet niet af niet alle winkels tussen 9.00 en 19.00 uur open zijn. Immers bij het vaststellen van de tijden waarop de vergunning niet geldig is, komt het bevoegde orgaan een zekere beoordelingsmarge toe.
Belanghebbende heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur verweerder er toe noopte in het onderhavige geval af te zien van het opleggen (of handhaven) van de naheffingsaanslag.
8. Op grond van al het vorenstaande is het Hof van oordeel dat belanghebbende heeft geparkeerd zonder voldoening van de verschuldigde parkeerbelasting. Hetgeen belanghebbende overigens heeft gesteld leidt niet tot een ander oordeel. Gezien het vorenoverwogene is het gelijk aan verweerder.
Proceskosten
Op basis van het onder 6 overwogene acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu belanghebbende niet gesteld heeft, noch aannemelijk is dat hij proceskosten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht gemaakt heeft, zal het Hof desalniettemin een proceskostenveroordeling achterwege laten.
De uitspraak is gedaan op 30 juni 2004 door mr. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Schiltkamp als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door genoemd lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.
Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.