Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1728

Datum uitspraak2004-06-30
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers03/03286
Statusgepubliceerd


Indicatie

Roerende-ruimtebelasting. Waarde woonboot. De vergelijkingsobjecten zijn gelet op de zeer kleine oppervlakte van de woonboot, de ligging en het ontbreken van voorzieningen niet vergelijkbaar.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Tiende Enkelvoudige Belastingkamer PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen de uitspraken met dagtekening 15 juli 2003 van Y van de gemeente P, verweerder, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslagen roerende-ruimtebelastingen (eigenarenbelasting en gebruikersbelasting) voor het jaar 2001. Het beroep is behandeld ter zitting van 16 juni 2004. Beslissing Het Hof - verklaart het beroep gegrond, - vernietigt de bestreden uitspraken, - vermindert de aanslagen tot aanslagen berekend naar waarden van € 36.000, en - gelast de gemeente P het gestorte griffierecht ad € 31 aan belanghebbende te vergoeden. Gronden 1.1. In de Verordening op de heffing en invordering van roerende woon- en bedrijfsruimten 2001 van de gemeente P (hierna: de verordening) is onder meer het volgende vermeld (tekst 2001): “Art. 1 1. Onder de naam belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten worden terzake van de binnen de gemeente gelegen woon– bedrijfsruimten twee directe belastingen geheven, te weten: a een gebruikersbelasting van degene die naar de omstandigheden beoordeeld bij het begin van het kalenderjaar de roerende woon- of bedrijfsruimte, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een roerende woon- of bedrijfsruimte het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. (...) Art. 2 Als één roerende woon- of bedrijfsruimte wordt aangemerkt: a een binnen de gemeente gelegen , niet onroerende woon- of bedrijfsruimte welke duurzaam aan een plaats is gebonden en dient tot permanente bewoning of permanent gebruik; (...) Art. 3 1. De heffingsmaatstaf van de belastingen is de waarde van de roerende woon- of bedrijfsruimte. De waarde wordt bepaald op de waarde die aan de ruimte dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. (...) Art. 4 1. De waarde van een roerende woon- of bedrijfsruimte wordt bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum heeft naar de staat waarin die zaak op die datum verkeert. 2. De waardepeildatum is 1 januari 1999. Deze waardepeildatum behoort bij het tijdvak 2001 tot en met 2004. (…) Art. 7 De belastingen worden geheven bij wege van aanslag.” 2.1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de roerende woonruimte A-straat 1, te Z (hierna: de woonboot). De woonboot heeft een oppervlakte van 19 m². Aan belanghebbende zijn, met dagtekening 30 november 2001, ter zake van de woonboot de onderhavige aanslagen opgelegd naar een waarde, naar de waardepeildatum 1 januari 1999, van € 49.008. Na bezwaar heeft verweerder de aanslagen bij de bestreden uitspraken gehandhaafd. 2.2. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn beschikking bij het verweerschrift een geschrift “Reactie taxateur” (met bijlagen) overgelegd, waarin de waarde van de woonboot op 1 januari 1999 wordt getaxeerd op € 49.008. Deze waardering is tot stand gekomen door vergelijking met de woonboten B-straat 1, C-straat 1 en D-straat 1, welke objecten enige tijd vóór of na de waardepeildatum zijn verkocht. Kort voor de zitting heeft verweerder nog een nader stuk ingediend waarin hij nog een aanvullende toelichting op de waardering geeft. 3. In geschil is of de door verweerder op 1 januari 1999 aan de woonboot toegekende waarde niet te hoog is. 4.1. Verweerder stelt de waarde welke met inachtneming van artikel 3, eerste lid, van de verordening op 1 januari 1999 aan de woonboot kan worden toegekend op € 49.008. 4.2. Belanghebbende bestrijdt de taxatie van verweerder. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende in de stukken en ter zitting, kort samengevat en in hoofdzaken weergegeven, het volgende aangevoerd. a. De waarde naar de waardepeildatum 1 januari 1999 ten opzichte van de waarde naar de waardepeildatum 1 januari 1992 is gestegen met 170% en de waarde dient te worden verminderd met 33?%, nu de waarde naar de waardepeildatum 1 januari 1992 na een eerder door hem ingesteld beroep met dit percentage is verminderd. b. Er heeft geen inpandige taxatie plaatsgevonden. c. Noch bij de aanslagen noch bij de uitspraken op bezwaar is een taxatieverslag ingesloten. d. De woonboot is onvoldoende vergelijkbaar met de vergelijkingsobjecten, in het bijzonder omdat de woonboot in vergelijking met de vergelijkingsobjecten een zeer klein oppervlakte heeft en niet beschikt over voorzieningen zoals gas, water en elektriciteit. Belanghebbende stelt dat de waarde moet worden vastgesteld op € 32.672. Belanghebbende heeft zijn standpunt niet onderbouwd met een taxatierapport van een deskundige of andere bewijsmiddelen van vergelijkbaar gewicht. 5.1. Het Hof stelt voorop dat op verweerder de last rust om aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woonboot niet te hoog heeft vastgesteld. Hij heeft daartoe de onder 2.2 vermelde geschriften overgelegd. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de verordening moet de waarde van een roerende woonruimte worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die woonruimte meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn besteed, waarbij voorts ervan moet worden uitgegaan dat bij die veronderstelde verkoop de volle en onbezwaarde eigendom zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de woonruimte in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Het Hof is van oordeel dat de in het geschrift “Reactie taxateur” genoemde verkochte vergelijkingsobjecten en de woonboot, gelet op de zeer kleine oppervlakte van de woonboot, de ligging en het ontbreken van de onder 4.2.d vermelde voorzieningen, in zodanige mate niet met elkaar vergelijkbaar zijn, dat de verkoopprijzen van die vergelijkingsobjecten ten onrechte als uitgangspunt zijn genomen bij het onderbouwen van de waarde van de woonboot. Het Hof acht van belang dat een alleenstaande, laat staan een gezin, op een oppervlakte van 19m2 zonder water, gas, en elektra, amper kan leven en zulks geldt, naar het Hof aannemelijk acht, niet voor de vergelijkingsobjecten. Dit vormt een omstandigheid die van zeer grote invloed is op de waarde van de woonboot. Uit de door verweerder ingebrachte foto’s van de woonboot en de vergelijkingsobjecten valt bovendien af te leiden dat de vergelijkingsobjecten een veel fraaiere uitstraling hebben. Aan het voorgaande doet niet af dat het Hof begrip heeft voor het standpunt van ver-weerder dat het moeilijk is geschikte vergelijkingsobjecten te vinden in de gemeente. Verweerder heeft ook overigens de vastgestelde waarde van de woonboot niet aan-nemelijk gemaakt. 5.2. Naar het oordeel van het Hof heeft ook belanghebbende geen goede onderbouwing gegeven van zijn standpunt dat de waarde tot tenminste € 32.672 moet worden verlaagd. Het argument van belanghebbende als vermeld onder 4.2.a. faalt. Voorzover belanghebbende zich beroept op de waarde die voor het voorafgaande tijdvak aan de woonboot is toegekend en in samenhang daarmee op de sindsdien opgetreden algemene waardeontwikkeling op de markt voor woonboten als de onderhavige verwerpt het Hof dit beroep, reeds omdat de juistheid van die eerder vastgestelde waarde thans niet ter beoordeling van het Hof staat en ook overigens, nu aan de waardeontwikkeling van woonboten in het algemeen geen - althans onvoldoende - betekenis kan worden toegekend voor de waardebepaling van een woonboot in het bijzonder. 5.3. Uit het bovenstaande volgt dat beide partijen de door hen verdedigde waarde niet adequaat onderbouwd hebben. Het Hof zal de waarde van de woonboot in goede justitie vaststellen op € 36.000. 6. Ook hetgeen partijen overigens hebben gesteld leidt niet tot een ander oordeel. Gezien het vorenoverwogene dienen de uitspraken op bezwaar te worden vernietigd. Proceskosten Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig verweerder te veroordelen tot vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof is echter niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten . De uitspraak is gedaan op 30 juni 2004 door mr. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Schiltkamp als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door genoemd lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend. Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm. U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen. Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.