Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1725

Datum uitspraak2004-06-23
Datum gepubliceerd2004-07-15
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers82303 /HA ZA 03-266
Statusgepubliceerd


Indicatie

In verband met het dwingend rechtelijk karakter van artikel 1:119 BW en de bescherming die dit artikel beoogt te geven aan de echtgenoten, kunnen partijen de overeengekomen huwelijkse voorwaarden ook in hun onderlinge interne verhoudingen niet anders hanteren dan in de akte is opgetekend.


Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT Sector Civiel Vonnis : 23 juni 2004 Zaaknummer : 82303 / HA ZA 03-266 De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van: [eiseres], wonende te [M.], eiseres, procureur mr. B.R.M. de Bruyn; tegen: [gedaagde], wonende te [B.], gedaagde, procureur mr. W.C.M. Coenen. 1. Het verloop van de procedure Eiseres, hierna te noemen "de vrouw", heeft gedaagde, hierna te noemen “de man”, gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. De man heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord. Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. De vrouw heeft vervolgens een akte genomen en daarin haar eis gewijzigd en daarbij voorts nog producties overgelegd. De man heeft ook een akte genomen en daarbij nog producties in het geding gebracht. Partijen hebben hierna nog een antwoordakte genomen. De man heeft hierbij nog stukken ter griffie gedeponeerd, waarvan een akte is opgemaakt en zijn antwoordakte vergezeld doen gaan van een productie. De vrouw heeft hierna gevraagd vonnis te wijzen op het rechtbankdossier. De man heeft verzocht de comparitie voort te zetten. De rolrechter heeft de zaak voor vonnis gesteld en de uitspraak van het vonnis is vervolgens nader bepaald op heden. 2. Het geschil en de vorderingen 2.1 Partijen zijn op 24 december 1958 te Kanne (België) met elkaar gehuwd. Partijen zijn voorafgaand aan hun huwelijk op 23 december 1958 ten overstaan van notaris mr. R. Romsée te Kanne huwelijkse voorwaarden overeengekomen. In deze voorwaarden is – kort gezegd - bepaald dat er tussen de echtgenoten elke vorm van gemeenschap van goederen uitgesloten is. Tussen partijen is bij vonnis van deze rechtbank van 19 april 1990 de echtscheiding uitgesproken. Dit vonnis is op 15 juni 1990 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage. 2.2 Op 18 september 1985 zijn partijen verschenen voor notaris mr. Th.J. Wolters te Maastricht en hebben bij notarieel verleden akte laten vastleggen dat zij ’ter regeling van hun interne rechtsverhouding de bedoeling uitspreken, zich staande huwelijk te zullen gedragen, alsof zij gehuwd waren in algehele gemeenschap van goederen; (…..) en wijders overeenkomen en verklaren, zo voor het verleden als voor de toekomst, het ervoor te houden, dat alle goederen, zaken en rechten voor gezamenlijke en gemeenschappelijke rekening zullen zijn en zullen worden verkregen, terwijl tevens alle gemaakte of te maken schulden voor gezamenlijke rekening zullen zijn en voorts overeen te komen, dat bij ontbinding van hun huwe-lijk door echtscheiding, (….), zij met elkander zullen verrekenen en afre-kenen alsof zij gehuwd waren in gemeenschap van goederen, (….)’. 2.3 Op 23 mei 1991 zijn partijen verschenen voor notaris mr. L.W.S. van de Weijer te Maastricht en hebben ten overstaan van deze notaris de gevolgen van hun echtscheiding geregeld en daarbij met betrekking tot het door de man opgebouwde pensioen bepaald: 'dat partijen ter zake de waarde(n) van thans eventueel voor verrekening in aanmerking komende pensioenaanspraken over en weer erkennen dat de redelijkheid en de billijkheid eisen dat thans over en weer geen verrekening wordt gevorderd, doch dat de man bij deze uit dien hoofde aan de vrouw toekent, welke partij in toekenning aanneemt: een voorwaardelijke recht op uitkering opeisbaar naarmate de pensioentermijnen opeisbaar worden en alsdan vast te stellen door het betreffende pensioenfonds op verzoek van beide partijen of de meest gerede hunner, met dien verstande dat, indien voordien ter zake een wettelijke regeling in werking mocht zijn getreden, verrekening van de hierbedoelde aanspraken zal plaatsvinden conform die wettelijke regeling’. 2.4 Partijen zijn het er, gelet op het tijdstip dat de ontbinding van hun huwelijk heeft plaatsgevonden, over eens dat de op 1 mei 1995 van kracht geworden Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (WVP) op verrekening van pensioenaanspraken niet van toepassing is. 2.5 Nadat de man op 6 november 1999 de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar had bereikt, heeft de vrouw zich ter zake de kwestie van de pensioen-verrekening tot de man gewend, die toen nog steeds alimentatie voor de vrouw betaalde. Partijen hebben naar aanleiding hiervan over de pensioenkwestie in de periode van januari 2000 tot augustus 2000 een discussie gevoerd. Deze dis-cussie heeft ertoe geleid dat de vrouw haar aanspraken op het pensioen eerst zou opeisen vanaf het moment dat ook zij 65 jaar oud zou worden, zijnde 14 november 2002. Binnen het kader van die afspraak heeft de man de vrouw voorts gemachtigd bij de pensioenfondsen (het Algemeen Mijnwerkersfonds [ AMF] en het Beambten-fonds voor het Mijnbedrijf [BMF] waar de man zijn pensioen heeft opgebouwd, informatie in te winnen over de door de man bij deze instellingen, die inmiddels zijn opgegaan in het AZL, opgebouwde pensioenrechten. De vrouw en de man hebben van Mercer Human Resource uit Heerlen (verder: Mercer), het bureau dat de actuariële berekeningen heeft uitgevoerd vernomen, nadat de berekeningen zijn gecorrigeerd naar aanleiding van hetgeen tussen partijen ter comparitie is besproken, dat de vrouw uit hoofde van haar verrekeningsvordering een aanspraak heeft op de man ter hoogte van 33,68% van het bij AMF opgebouwde pensioen en van 40,66% van het bij het BMF opgebouwde pensioen. 2.6 Stellende dat zij de man diverse malen en tot op heden tevergeefs heeft ver-zocht de verrekeningsvordering te voldoen, vordert de vrouw op grond van het vorenstaande en na wijziging van eis dat het de rechtbank behage bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. voor recht te verklaren dat de vrouw met ingang van 14 november 2002 uit hoofde van verrekening van ouderdomspensioen een vordering op de man heeft ter hoogte van 33,68% van zijn pensioen bij het AMF en 40,66% van zijn pensioen bij het BMF, steeds opeisbaar op het moment dat de pensioentermijnen voor de man opeisbaar worden; 2. de man te veroordelen om aan de vrouw tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag ter hoogte van 33,68% van zijn pensioen bij het AMF en 40,66% van zijn pensioen bij het BMF, zoals opeisbaar geworden vanaf 14 november 2002, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de respectieve data van het opeisbaar worden van de pensioentermijnen; 3. de man te veroordelen in de kosten van dit geding. 2.7 De man voert verweer en stelt daarin voorop dat nu partijen staande huwelijk de huwelijkse voorwaarden bij notariële akte van 18 september 1985 hebben gewijzigd zonder daarvoor, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:119 BW de goedkeuring van de rechtbank te vragen, dit mede op grond van de strekking van Hoge Raad 15 mei [waarvoor de rechtbank verbeterd leest: 2 mei] 1986,NJ 1987,353, betekent dat de akte en de daarin neergelegde afspraken van partijen nietig zijn en dat er op grond van de uitspraak van de Hoge Raad ook geen plaats is voor conversie van de afspraken in een obligatoir verrekenbeding, zodat de vorderingen moeten worden afgewezen. Als tweede grond voert de man aan dat in geval er van kan worden uitgegaan dat de huwelijkse voorwaarden van partijen al rechtsgeldig zijn gewijzigd de pen-sioen-verevening op grond van het bepaalde in artikel 1:120 BW slechts kan plaatsvinden vanaf de dag volgend op die waarop de akte is verleden, zijnde 19 september 1985 en zulks tot aan het moment van inschrijving van het echt-scheidingsvonnis op 15 juni 1990. In de periode immers waarin de huwelijkse voorwaarden van kracht waren, kan er geen sprake zijn van een verrekenplicht op grond van het feit dat in het Boon/van Loonarrest alleen gesproken wordt over verrekening van pensioenaanspraken van partijen die in gemeenschap van goederen hebben geleefd. De man stelt daarnaast dat hij per 1 juli 1967 geen pensioen uit arbeid meer heeft opgebouwd, omdat hij toen arbeidsongeschikt is verklaard en vanaf dat moment een invaliditeits(pensioen)uitkering heeft ontvangen, waarvoor krachtens het arrest van de Hoge Raad van 23 december 1988, NJ 1989,700 geldt dat een invaliditeitspensioen als verknocht aan de ontvanger ervan moet worden beschouwd en een dergelijk pensioen dus niet kan worden gezien als een gemeenschapsgoed. De man is verder nog van mening, onder verwijzing naar de rechtsliteratuur dat, nu de pensioenverevening steeds meer los gedacht wordt van het huwelijks-vermogensrecht en wordt verplaatst naar de verzorgingsgedachte en gezien de inkomsten die de vrouw geniet (een AOW-uitkering, pensioen uit hoofde van de door haar zelf vervulde dienstbetrekking, een uitkering krachtens lijfrente- of levensverzekering, een spaarloonregeling en de door de man aan haar betaalde alimentatie alsmede een zelfstandigenuitkering uit België op grond van het feit dat zij in Visé een winkel heeft gedreven) zij geen behoefte heeft aan een bijdrage uit het pensioen van de man. Haar aanspraak hierop via dit geding strookt derhalve niet met de tussen echtelieden die in een verdeling betrokken zijn te betrachten redelijkheid en billijkheid. Tot slot betwist de man de juistheid van de uitkomsten van de door Mercer uitgevoerde actuariële berekeningen. 3. De beoordeling 3.1 Het meest verstrekkende verweer van de man tegen de vorderingen van de vrouw luidt dat de vorderingen moeten worden afgewezen nu partijen staande huwelijk hun huwelijkse voorwaarden van koude uitsluiting bij notariële akte van 18 september 1985 hebben gewijzigd in een gemeenschap van goederen, maar dat deze wijziging geen effect kan hebben nu partijen hebben verzuimd, zoals in artikel 1:119 BW dwingendrechtelijk is voorgeschreven, deze wijziging van het huwelijksregime ter goedkeuring aan de rechtbank voor te leggen, hetgeen impliceert dat de wijziging als nietig heeft te gelden nu de Hoge Raad dit met zoveel woorden heeft beslist in zijn arrest van 2 mei 1986, NJ 1987,353. Op grond hiervan is de man van mening dat de bij het begin van het huwelijk van partijen overeengekomen voorwaarden onverkort zijn blijven gelden en er dus geen sprake van kan zijn dat de door hem opgebouwde pensioenrechten nog geheel of voor een deel tussen partijen verrekend moeten worden. 3.2 Anders dan de man heeft betoogd, leest de rechtbank in de akte van 18 september 1985 niet dat partijen hun huwelijksregime van koude uitsluiting hebben gewijzigd naar een algehele gemeenschap van goederen. In genoemde akte hebben partijen immers alleen laten optekenen dat zij zich voortaan – kort gezegd – naar interne verhoudingen zullen gedragen alsof zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren en dat, wanneer hun huwelijk door echtscheiding wordt ontbonden, zij dan met elkaar zullen afrekenen alsof zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren. Gelet op de algemeen in Nederland geldende contractsvrijheid rijst de vraag of het partijen vrijstond de in deze zaak ter discussie staande afspraken rechts-geldig te maken, of dat de in de onderhavige zaak tussen partijen gemaakte afspraken, die materieel gezien neerkomen op een interne wijziging van de huwe-lijkse voorwaarden gelijkelijk beoordeeld moeten worden als door de Hoge Raad is gedaan in zijn zojuist aangehaald arrest van 2 mei 1986. 3.3 De rechtbank is van oordeel dat die vraag in het onderhavige geval bevestigend beantwoord moet worden. De man heeft ter comparitie, zonder weerwoord van de vrouw, aangevoerd dat hij nooit de bedoeling heeft gehad pensioenrechten te verrekenen doch dat hij maar heeft ingestemd met de regeling zoals die door notaris mr. Van de Weijer is vast-gelegd om de echtscheiding uiteindelijk definitief te kunnen afwikkelen en hij zich te dien aanzien thans afvraagt of alle betrokken partijen toen hebben beseft wat de gevolgen daarvan waren. Naar het oordeel van de rechtbank is dit statement in deze zaak van groot belang. Indien dit immers wordt gerelateerd aan de in het arrest van de Hoge Raad ten aanzien van artikel 1:119 BW, gebezigde overweging dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikel blijkt dat de bepaling niet slechts beoogt benadeling van schuldeisers te voorkomen, doch een wijdere strekking heeft en mede dient ter bescherming van de echtelieden onderling, dient naar het oordeel van de rechtbank in het algemeen te gelden dat het maken van af-spraken die afwijken van een overeengekomen huwelijksgoederenregime alleen maar mogelijk is conform de daarvoor wettelijke gegeven vormvoorschiften en de in artikel 1:119 BW gememoreerde rechterlijke goedkeuring van wijzigingen in deze zin ook voor interne afspraken onontbeerlijk is. De Hoge Raad heeft te dien aanzien nog overwogen ‘dat het ontbreken van de rechterlijke goedkeuring nietig--heid der huwelijkse voorwaarden meebrengt, niet alleen ten opzichte van schuldeisers, maar ook wat de interne vermogensrechtelijke verhoudingen tussen de echtelieden betreft’ en heeft in dat licht verder nog gesteld dat ‘een andere opvatting de in de rechterlijke goedkeuring gelegen waarborg illusoir zou maken en dat er om gelijke reden immers ook voor convertering in een verrekeningsovereenkomst - welke zou neerkomen op intern werkende huwelijkse voorwaarden – geen plaats is’. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit alles dat de vorderingen van de vrouw op de door haar aangevoerde gronden niet toegewezen kunnen worden. 3.4 Partijen zijn ex-echtelieden. De proceskosten zullen daarom, mede gezien het bepaalde in artikel 237 Rv worden gecompenseerd, als hierna in het dictum te bepalen. 4. De beslissing De rechtbank: Wijst het gevorderde af. Compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Vanwege het feit dat de rechter die de comparitie heeft voorgezeten inmiddels werkzaam is in een andere sector van de rechtbank, is dit vonnis gewezen door mr. A.J. Hazen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. LD/FA