Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1714

Datum uitspraak2004-04-21
Datum gepubliceerd2004-08-13
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsZwolle
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 03/42845
Statusgepubliceerd


Indicatie

Mvv / referentprocedure / zelf voorzien. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de weigering haar in het bezit te stellen van een mvv ongegrond verklaard. Dit besluit is genomen op het verzoek van referent in een advies aan te geven of wordt voldaan aan de voorwaarden in het kader van de beoordeling van een nadien door eiseres in te dienen aanvraag om verlening van een mvv. Gelet op de uitspraak 200306128/1 van de ABRS van 12 januari 2004 en met overneming van de in die uitspraak gegeven motivering kan het verzoek van referent niet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Awb. Dit brengt mee dat er geen bezwaar mogelijk is tegen een (fictieve) weigering op een dergelijk verzoek te beslissen. Verweerder had het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien.


Uitspraak

RECHTBANK te ‘s-GRAVENHAGE nevenzittingsplaats Zwolle sector vreemdelingenrecht regnr.: Awb 03/42845 UITSPRAAK inzake: A, geboren op [...] 1978, van Iraakse nationaliteit, IND dossiernummer 0303.05.6053, gemachtigde: mr. J.F. Smallenbroek, advocaat te Zwolle, eiseres; tegen: DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN (Visadienst), te 's-Gravenhage, vertegenwoordigd door mr. M.B.Y. Vet, ambtenaar ten departemente, verweerder. 1 Procesverloop 1.1 Op 15 april 2002 heeft referent verzocht om een advies omtrent de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van eiseres met als doel “verblijf bij echtgenoot”. Bij brief van 24 februari 2003 heeft referent een bezwaarschrift ingediend tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag tot afgifte van een mvv ten behoeve van eiseres. Op 1 mei 2003 is beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaarschrift. Bij beschikking van 11 juli 2003 heeft verweerder het bezwaar gericht tegen de fictieve weigering om tijdig op de ingediende aanvraag te beslissen gegrond verklaard. Het bezwaar gericht tegen de weigering eiseres in het bezit te stellen van een machtiging tot voorlopig verblijf is bij deze beschikking ongegrond verklaard. Bij brief van 5 augustus 2003 is daartegen beroep ingesteld. 1.2 Bij uitspraak van 17 juli 2003 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle het beroep d.d. 1 mei 2003 gegrond verklaard. De rechtbank heeft tevens bepaald dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een beslissing op de aanvraag neemt. 1.3 Het beroep d.d. 5 augustus 2003 is ter zitting van 30 maart 2004 behandeld. Eiseres heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. 2 Toetsingskader 2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. 3 Standpunten 3.1 Verweerder heeft de rechtbank verzocht om, met in achtneming van de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling), van 12 januari 2004, nr. 200306128/1, het beroep gegrond te verklaren en het bezwaarschrift alsnog niet ontvankelijk te verklaren, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3.2 Eiseres refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 4 Overwegingen 4.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de weigering haar in het bezit te stellen van een mvv ongegrond verklaard. Dit besluit is genomen op het verzoek van referent om in een advies aan te geven of wordt voldaan aan de in het kader van de beoordeling van een nadien door eiseres in te dienen aanvraag om verlening van een mvv te stellen voorwaarden. Gelet op de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2004 en met overneming van de in die uitspraak gegeven motivering kan het verzoek van referent niet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Awb. Dit brengt mee, dat er geen bezwaar mogelijk is tegen een (fictieve) weigering op een dergelijk verzoek te beslissen. Verweerder had het bezwaar van eiseres daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. 4.2 Nu verweerder het bezwaar ten onrechte ongegrond heeft verklaard is het beroep van eiseres daartegen gegrond. Nu de minister met inachtneming van deze uitspraak geen ander besluit mag nemen dan het bij hem gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb op na te melden wijze in de zaak te voorzien. 4.1 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. 5 BESLISSING De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 juli 2003 - verklaart het bezwaar tegen de weigering eiseres in het bezit te stellen van een machtiging tot voorlopig verblijf niet-ontvankelijk; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; - veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 644,- onder verwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden aan eiseres. - wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het griffierechtbedrag ad € 116,- aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld in tegenwoordigheid van mr. K.M. Dijkman als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2004 Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Afschrift verzonden: 21 april 2004