Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1704

Datum uitspraak2004-06-24
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers08/010078-04
Statusgepubliceerd


Indicatie

verdachte is kwaad over het hondje van de buurvrouw. hij dringt haar huis binnen en geeft het hondje een schop, waardoor het blind wordt. verdachte zegt ter zitting de verkeerde te hebben getrapt, is niet bereid tot vergoeding van de rekening van de dierenarts. hij betaalt wel een boete, zegt hij. de officier van justitie vraagt echter een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. de politierechter stuurt verdachte een week naar de gevangenis. (hoger beroep ingesteld)


Uitspraak

RECHTBANK ALMELO Parketnummer: 08/010078-04. PROCES-VERBAAL TERECHTZITTING (+ vonnis) Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in bovengenoemde rechtbank op 24 juni 2004. Tegenwoordig: mr. Berg, politierechter, mr. De Valk, officier van justitie, en Damhuis, griffier. De politierechter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen. De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn genaamd: [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1952, wonende te [plaats en adres]. Als raadsvrouwe van verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. Reints, advocaat te Enschede. De politierechter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is. De officier van justitie draagt de zaak voor. Verdachte wordt ervan verdacht dat: 1. hij op of omstreeks 21 augustus 2003 te Enschede, wederrechtelijk vertoevende in een woning gelegen [straatnaam] en in gebruik bij [benadeelde], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd; 2. hij op of omstreeks 21 augustus 2003 te Enschede, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, opzettelijk bij het hondje Sarah (Maltezer leeuwtje) pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid van dat hondje heeft benadeeld, immers heeft hij dat hondje een schop gegeven; De politierechter deelt mondeling mede de korte inhoud van: 1. de in een omslag, dossier nr. PL0500/03-007077, van de Politie Twente, district –Twente, zich bevindende processen-verbaal en andere zich in dat omslag bevindende bij die processen-verbaal behorende documenten, waaronder een nader te noemen “mutatie”. 2. een uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de JD te Almelo, betreffende verdachte, d.d. 6 februari 2004. 3. een ”voegingsformulier benadeelde partij", d.d. 16 februari 2004 , met bijlage, betreffende de benadeelde: [benadeelde]. 4. een door Drs. A.A. Nolte opgemaakte nota voor geneeskundige hulp d.d. 20 augustus 2003, alsmede een daarbij gevoegde verklaring van de dierenarts P. Kuipers d.d. 29 augustus 2003. Verdachte verklaart, zakelijk weergegeven: A. Op 21 augustus 2003 heb ik in de woning van mevrouw [benadeelde] aan de [straatnaam en nummer] te Enschede een aldaar aanwezig hondje een schop gegeven. B. Ik heb al langere tijd veel last van het hondje van mevrouw [benadeelde]. Zij is niet normaal en die hond daardoor ook niet. Ik ben vanwege overlast van de hond die dag op blote voeten naar de woning van mevrouw [benadeelde] gegaan en heb hard op de deur geklopt en getrapt. De deur ging daardoor – en dat verraste mij – vanzelf open. Ik ben meteen doorgelopen naar binnen. In de huiskamer kwam het hondje mij tegemoet. Mevrouw [benadeelde] kwam er achteraan lopen. Zij kwamen van achter haar woning. Ik heb de hond met mijn blote voet éénmaal geschopt. Ik was kwaad op die hond. Mevrouw [benadeelde] heeft mij niet verzocht haar woning te verlaten. Ik heb mij op aanraden van de wijkagent Goossen destijds bij de politie beroepen op mijn zwijgrecht. Ik heb inderdaad ook nadrukkelijk ontkend dat ik mij aan huisvredebreuk en dierenmishandeling heb schuldig gemaakt. Dat doe ik nu nog. Ik vind de zaak erg overtrokken en ik was verbaasd dat ik een dagvaarding kreeg. Ik hoor nu van u dat uit een verklaring van dierenarts Kuipers blijkt dat de hond blind is geworden aan het linkeroog, terwijl zijn rechteroog voor die dag al blind was. Dat is jammer. Ik heb de verkeerde getrapt. Wat ik daarmee bedoel wil ik niet zeggen. Het klopt dat mevrouw [benadeelde] de enige ander in de woonkamer was op dat moment. Het klopt dat ik bij iemand ben geweest die met mij wilde praten over schadevergoeding. Met die man was geen gesprek mogelijk. Ik hoor van u dat mevrouw [benadeelde] € 57,93 schadevergoeding wil hebben voor rekeningen van de dierenarts. Van mij krijgt ze niets. Als ik een boete moet betalen dan is dat maar zo maar zíj krijgt niets. Momenteel heb ik een WAO uitkering van € 1021,00 per maand. Mijn vrouw heeft ook nog een inkomen. Op uw vraag of ik eventueel bereid en in staat ben om een werkstraf te verrichten zeg ik “ja”. Mevrouw [benadeelde], ter zitting op de publieke tribune aanwezig, bevestigt daardoor naar de politierechter gevraagd, dat het hondje volledig blind is sinds het incident. Noch de officier van justitie noch de verdachte of zijn raadsvrouwe stellen er prijs op dezelfde vraag nogmaals, maar dan onder ede, aan mevrouw [benadeelde] voor te leggen. De officier van justitie voert het woord, leest zijn vordering voor (bewezenverklaring van beide feiten en oplegging van 80 uur werkstraf onvoorwaardelijk plus twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk en toewijzing van de civiele vordering met toepassing van de Terweemaatregel) en legt deze aan de politierechter over. De verdachte en de raadsvrouwe voeren het woord tot verdediging. De raadsvrouwe doet daarbij een beroep op noodweer, kort gezegd daarop neerkomend dat het gerechtvaardigd zou zijn je te verdedigen tegen een hond die op je af komt door die hond te trappen, omdat verwacht mag worden dat die hond je zal bijten. Aan verdachte en de raadsvrouwe wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De politierechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt terstond mondeling vonnis te zullen geven. De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting. A A N T E K E N I N G van het M O N D E L I N G V O N N I S 1. Inhoud van de tenlastelegging. Overeenkomstig de dagvaarding. G E V A L V A N B E W E Z E N V E R K L A R I N G (kolom 2 – 8) 2. Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring. De ter terechtzitting afgelegde, zakelijk weergegeven, verklaring van verdachte: hiervoor onder A weergegeven; De verklaring van [benadeelde], opgenomen in een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 22 augustus 2003, voor zover van belang. Een mutatie van Slot, in het dossier opgenomen onder pagina 5, van 21 augustus 2003, voor zover van belang. Een door Drs. A.A. Nolte opgemaakte nota voor geneeskundige hulp d.d. 20 augustus 2003 alsmede een verklaring van de dierenarts P. Kuipers d.d. 29 augustus 2003, telkens voor zover van belang, leverende de in voormelde bewijsmiddelen opgenoemde feiten en omstandigheden op de redengevende feiten en omstandigheden, waarop steunt de beslissing van de politierechter, dat het sub 2 tenlastegelegde en hierna bewezenverklaarde feit door verdachte is begaan. 3. Bewezenverklaring. Het sub 2 tenlastegelegde feit, met dien verstande, dat: verdachte op 21 augustus 2003 te Enschede, zonder redelijk doel, opzettelijk bij het hondje Sarah (Maltezer leeuwtje) letsel heeft veroorzaakt, immers heeft hij dat hondje een schop gegeven. 4. Kwalificatie, eventueel met de gronden daarvoor, en artikelen van de wet, welke worden toegepast. Het beroep op noodweer ten aanzien van het tweede feit wordt verworpen, ten eerste omdat uit de verklaring van de verdachte ter zitting reeds volgt dat hij niet handelde uit zelfverdediging, ten tweede omdat hij zichzelf in de situatie heeft begeven waarin hij een hond zou tegen komen, namelijk door zonder enig recht een woning binnen te dringen waarvan hij zich op het bewuste moment zeer wel bewust was dat daarin een vrouw woonde met een hondje dat op dat moment thuis was. Van algemene bekendheid is dat hondjes reageren op indringers in de woning van hun baasje door op die indringers toe te komen. Ten aanzien van het sub 2 tenlastegelegde feit: Gedraging in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 36 eerste lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, strafbaar gesteld in artikel 122 van die wet. Art. 10, 36 en 91 Wetboek van Strafrecht. Art. 36, 121 en 122 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. 5. Beslissing omtrent de strafbaarheid van de verdachte, eventueel met de gronden daarvoor. Verdachte is deswege strafbaar, zijnde niet gebleken van feiten of omstandigheden welke zijn strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten. 6. Opgelegde straf of maatregel. Opgave van de bijzondere redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid. Veroordeelt verdachte, terzake het sub 2 bewezenverklaarde, tot: Gevangenisstraf voor de tijd van 1 week, welke strafoplegging in overeenstemming is met de ernst van het misdrijf, mede gelet op de persoon van verdachte, en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De politierechter heeft daarbij in het bijzonder het volgende overwogen: Verdachte heeft voor eigen rechter gespeeld en hij heeft daarbij in zijn kwaadheid op volstrekt ontoelaatbare wijze gehandeld ten aanzien van mevrouw [benadeelde] in wier huis verdachte binnendrong en meer in het bijzonder ten aanzien van dat weerloze hondje dat anders dan verdachte, geen enkel verwijt treft. Het hondje was zichzelf in zijn eigen woning waarin verdachte bruusk binnendrong. Verdachte schopte het diertje, waardoor het tegen de bank vloog en gewond aan zijn oog neerviel. Later bleek het hondje aan dat oog blind te zijn geworden. Doordat het hondje aan het andere oog ook al blind was, heeft verdachte ervoor gezorgd dat het hondje nu alle licht in de ogen blijvend is ontnomen. Echter niet alleen de ernst van het feit en de aard van het letsel speelt voor de politierechter een rol. Afkeurenswaardig, opmerkelijk en zorgwekkend is dat verdachte, toen zijn woede reeds lang plaats had moeten maken voor redelijkheid en inzicht in zijn handelen, zowel bij de schadebemiddelaar als ter zitting weinig van zijn agressie was kwijtgeraakt en nog weinig inzicht in de ernst van zijn opeenstapeling van foute gedragingen leek te hebben gekregen en integendeel, kennelijk nog steeds onjuiste opinies ten aanzien van het eigen rechterschap en zijn schadevergoedingsplicht koesterde. De combinatie van de ernst van het feit, de gevolgen, verdachtes houding bijna een jaar later ter zitting, mede (herhaald) tot uitdrukking komend in verdachtes veronderstelling dat hij hier wel met een boete vanaf komt, indiceren een bepaald andere, in zekere zin hogere straf dan door de officier van justitie gevorderd, ook als daarbij rekening wordt gehouden met de vrijspraak voor het onder 1 ten laste gelegde feit. De politierechter verklaart voorts de via het voorgeschreven 'voegingsformulier' ingediende vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gegrond, aangezien is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het sub 2 bewezenverklaarde feit, zulks op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken. De politierechter zal hierbij tevens de maatregel bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Veroordeelt verdachte, terzake het sub 2 bewezen feit, tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde], wonende te [adres en woonplaats] van een bedrag groot: € 57,93 . Veroordeelt verdachte voorts in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsmede in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering. Legt de maatregel op dat verdachte verplicht is, terzake het sub 2 bewezen feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag groot € 57,93 zulks ten behoeve van de benadeelde [benadeelde], voornoemd, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 1 dag zal worden toegepast, een en ander voorzover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Verstaat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van genoemd bedrag ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde], dat daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dat bedrag te betalen komt te vervallen, en andersom, indien verdachte aan de benadeelde partij dat bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag ten behoeve van de benadeelde partij komt te vervallen. 7. Bijkomende beslissingen. Vrijspraak van hetgeen sub 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard. Vrijspraak van hetgeen sub 1 is tenlastegelegd, aangezien dit niet wettig en overtuigend bewezen is. Verdachte heeft, blijkens de “mutatie” op de dag van het incident in grote lijnen hetzelfde verhaal verteld aan de hondengeleider Slot als aangeefster [benadeelde] een dag later in haar aangifte, behalve voor wat betreft aangeefsters stelling dat zij hem gesommeerd heeft om de woning te verlaten. Het is ook verdachte zelf die als eerste de politie heeft benaderd om het incident te melden (zij het met de mededeling dat hij met de wijkagent wilde spreken over overlast van mevrouw [benadeelde] en haar dreiging dat hij nu aan de beurt was, nadat hij vandaag “geflipt” was). Ook in de mutatie, waaruit wel blijkt van contact tussen politie en aangeefster op 21 augustus, blijkt niet expliciet van de vordering. De daarmee consistente ontkenning van verdachte doet enige twijfel rijzen of de aangifte op dit punt waarheidsgetrouw is, en wel voldoende om niet overtuigd te zijn dat aan verdachte inderdaad een vordering is gedaan om te vertrekken uit de woning van [benadeelde]. De telastegelegde huisvredebreuk is daarmee dus niet overtuigend bewezen. Dat de verdachte “wederrechtelijk de woning was binnengedrongen”, hetgeen naar het oordeel van de politierechter wel bewijsbaar was en blijkens artikel 138 Sr eveneens het misdrijf “huisvredebreuk” zou hebben opgeleverd, was niet in die variant telastegelegd. De politierechter geeft aan verdachte kennis, dat hij binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt hem opmerkzaam op zijn recht om ter terechtzitting van dat rechtsmiddel afstand te doen. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de politierechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend. De griffier is buiten staat dit proces-verbaal mede te ondertekenen.