
Jurisprudentie
AQ1614
Datum uitspraak2004-06-29
Datum gepubliceerd2004-07-29
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 04/23256
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-29
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 04/23256
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bewaring / 14-1-brief / rechtmatig verblijf.
De '14-1-brief' van verzoeker is aan te merken als een aanvraag ex artikel 1:3, derde lid, Awb, nu deze voldoende concreet en duidelijk is en de brief niet anders kan worden aangemerkt dan als een verzoek aan verweerder om met gebruikmaking van de discretionaire bevoegdheid voor schrijnende gevallen eiser een verblijfsvergunning te verlenen. De brief van verweerder strekkende tot afwijzing van de aanvraag dient dan ook te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid, Awb. Het door verzoeker ingediende bezwaar heeft dan ook op grond van artikel 73, eerste lid, Vw 2000 van rechtswege schorsende werking. Daaruit volgt dat verzoeker op grond van artikel 8, aanhef en onder h, Vw 2000 rechtmatig verblijf heeft. Verzoeker is de maatregel van bewaring ex artikel 59 Vw 2000 opgelegd. Ingevolge artikel 73, vierde lid, Vw 2000 is het eerste lid van dat artikel niet van toepassing indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is of wordt ontnomen op grond van artikel 59 Vw 2000. Dit zou betekenen dat het rechtmatig verblijf van verzoeker met de oplegging van de bewaringsmaatregel is geëindigd. Uit de Afdelingsuitspraak 200301032/1 van 17 april 2003 kan echter worden afgeleid dat het rechtmatig verblijf alleen eindigt, indien de oplegging van de bewaringsmaatregel rechtmatig is. In dit geval heeft de rechtbank Utrecht in de uitspraak AWB 04/23017 van 2 juni 2004 de bewaring van meet af aan onrechtmatig geacht. Het rechtmatig verblijf van verzoeker is derhalve niet door de oplegging van de maatregel van bewaring geëindigd. Verweerder is ingevolge artikel 73, eerste lid, Vw 2000 gehouden verzoeker niet uit Nederland te verwijderen tot op het bezwaarschrift is beslist. Afwijzing verzoek.
Uitspraak
Rechtbank ’s-Gravenhage
nevenvestigingsplaats Haarlem
voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb)
artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
reg.nr: AWB 04 / 23256 BEPTDN F
inzake: A, geboren op [...] 1960, van Chinese nationaliteit, verzoeker,
gemachtigde: mr. R.S. Nandoe, advocaat te Alkmaar,
tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,
gemachtigde: mr. O.J. Elbertsen, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.
1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING
1.1 Bij besluit van 24 mei 1993 zijn de aanvragen van verzoeker tot toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard, afgewezen. Het hiertegen ingediende herzieningsverzoek is bij besluit van 23 mei 1996 afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats van 11 april 1997 (kenmerk AWB 96/5857 en 96/5851) is het hiertegen ingestelde beroep, voor zover betrekking hebbend op de aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf, gegrond verklaard. Bij besluit van 4 juli 1997 heeft verweerder het herzieningsverzoek voor wat betreft de aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf, wederom afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats van 20 februari 1998 (kenmerk AWB 97/6259) is het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
1.2 Bij brief van 21 oktober 2003 heeft verzoeker verweerder verzocht om hem alsnog verblijf toe te staan. Verweerder heeft deze brief op 15 januari 2004 beantwoord. Verzoeker heeft tegen deze brief op 5 februari 2004 bezwaar gemaakt.
1.3 Op 17 mei 2004 heeft verweerder verzoeker met het oog op uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Utrecht, van 2 juni 2004 (kenmerk AWB 04/23017) is met ingang van diezelfde datum de opheffing van de maatregel van bewaring bevolen.
1.4 Bij verzoekschrift van 18 mei 2004 heeft verzoeker verzocht te bepalen dat de werking van het besluit van 15 januari 2004 wordt opgeschort tot op het bezwaar van 5 februari 2004 is beslist.
1.5 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en ter zitting geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek wegens niet-ontvankelijkheid van het bezwaar.
1.6 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 17 juni 2004. Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.
2. OVERWEGINGEN
2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2 Verzoeker heeft onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats van 12 februari 2004 (kenmerk AWB 03/62040 en AWB 03/62042) aangevoerd dat zijn brief van 21 oktober 2003 een aanvraag is in de zin van de Awb. Daaruit volgt dat de brief van verweerder van 15 januari 2004 dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. Ingevolge artikel 73, eerste lid, Vw heeft het hiertegen ingediende bezwaar van rechtswege schorsende werking. Verweerder heeft echter niet gereageerd op het bezwaarschrift van 5 februari 2004, ook niet met een ontvangstbevestiging. Voorts acht verweerder verzoeker uitzetbaar, gegeven het feit dat aan verzoeker de maatregel van bewaring ex artikel 59 Vw is opgelegd. Deze maatregel is op 2 juni 2004 op bevel van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Utrecht, opgeheven, omdat verweerder niet afdoende had onderbouwd dat er sprake is van vrees voor onttrekking aan de uitzetting door verzoeker. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat verzoeker was ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie, daadwerkelijk verbleef op het ingeschreven adres en een ROA-uitkering ontving. Sinds de opheffing van de maatregel van bewaring wordt aan verzoeker echter geen opvang en geen financiële toelage meer verleend. Nu de omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de opheffing van de maatregel van bewaring zijn komen te vervallen, bestaat het gevaar dat aan verzoeker wederom de maatregel van bewaring zal worden opgelegd en dat hij zal worden uitgezet. Het verzoek om voorlopige voorziening dient dan ook te worden toegewezen.
2.3 Verweerder heeft zich ter zitting – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 januari 2004, met kenmerk 200306088/1 – op het standpunt gesteld dat de brief van verzoeker van 21 oktober 2003 niet als aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning is aan te merken. In die brief is immers niet vermeld krachtens welke van de aan de minister toegekende bevoegdheden hij hem verzoekt een besluit te nemen, noch is daarin vermeld, van welke beleidsregels met toepassing van artikel 4:84 Awb zou moeten worden afgeweken. Nu de brief van verzoeker niet is aan te merken als aanvraag, is de brief van verweerder van 15 januari 2004 geen besluit in de zin van de Awb. Derhalve zal het bezwaar niet-ontvankelijk moeten worden verklaard en is er geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
2.4 Met voornoemde uitspraken van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats van 11 april 1997 en 20 februari 1998, is de afwijzing van de asielaanvragen van verzoeker in rechte onaantastbaar geworden. Vanwege zijn zeer langdurige verblijf in Nederland heeft verzoeker verweerder bij brief van 21 oktober 2003 verzocht nogmaals zijn dossier op schrijnendheid te beoordelen en hem, gebruikmakend van de discretionaire bevoegdheid van verweerder, een verblijfsvergunning regulier te verlenen.
2.5 De voorzieningenrechter is, onder verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats van 29 april 2004 (kenmerk AWB 03/65544), waarvan een kopie ter informatie aan partijen aan deze uitspraak is gehecht, van oordeel dat de brief van verzoeker van 21 oktober 2003 is aan te merken als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, Awb. Evenals in de uitspraak van 29 april 2004 is de voorzieningenrechter ook thans van oordeel dat de brief van eiser van 21 oktober 2003 voldoende concreet en duidelijk is en dat die brief niet anders kan worden aangemerkt dan als een verzoek aan verweerder om met gebruikmaking van de discretionaire bevoegdheid voor schrijnende gevallen eiser alsnog een verblijfsvergunning te verlenen. Er is derhalve geen sprake van een enkel verzoek om afwijking van een veelomvattend complex van op een grote diversiteit van besluiten betrekking hebbende beleidsregels. Een verwijzing naar de uitspraak van de ABRS van 16 januari 2004 acht de voorzieningenrechter in dit geval niet op zijn plaats. De brief van verweerder van 15 januari 2004 strekkende tot afwijzing van een aanvraag, dient dan ook te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid, Awb. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar ingediend op 5 februari 2004.
2.6 Ingevolge artikel 73, eerste lid, Vw wordt de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, totdat op het bezwaar is beslist. Nu gelet op het voorgaande de brief van verweerder van 15 januari 2004 dient te worden aangemerkt als een besluit tot afwijzing van de aanvraag hem een verblijfsvergunning te verlenen, heeft het door verzoeker ingediende bezwaar op grond van artikel 73, eerste lid, Vw van rechtswege schorsende werking. Daaruit volgt dat verzoeker op grond van artikel 8, aanhef en onder h, Vw rechtmatig verblijf heeft.
2.7 Aan verzoeker is op 17 mei 2004 de maatregel van bewaring ex artikel 59 Vw opgelegd. Ingevolge artikel 73, vierde lid, Vw is het eerste lid van dat artikel niet van toepassing indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is of wordt ontnomen op grond van artikel 59 Vw. Dit zou betekenen dat het rechtmatige verblijf van verzoeker op grond van artikel 8, aanhef en onder h, Vw met de oplegging van de maatregel van bewaring op 17 mei 2004 zou zijn geëindigd. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 17 april 2003 (kenmerk 200301032) kan echter worden afgeleid dat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, eerste lid, onder h, Vw alleen eindigt, indien de oplegging van de maatregel van bewaring ex artikel 59 Vw rechtmatig is. In het onderhavige geval heeft deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Utrecht, in voornoemde uitspraak van 2 juni 2004, de maatregel van bewaring ex artikel 59 Vw van meet af aan onrechtmatig geacht. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld tegen deze uitspraak geen hoger beroep te hebben ingesteld. Het rechtmatig verblijf van verzoeker op grond van artikel 8, eerste lid, onder h, Vw is derhalve niet door de oplegging van de maatregel van bewaring ex artikel 59 Vw geëindigd. Verweerder is dan ook ingevolge het bepaalde in artikel 73, eerste lid, Vw gehouden verzoeker niet uit Nederland te (doen) verwijderen tot op het ingediende bezwaarschrift is beslist.
2.8 Verweerder heeft ter zitting verklaard dat uitzetting van verzoeker hangende het bezwaar achterwege zal blijven, indien de voorzieningenrechter bepaalt dat het bezwaar ingevolge artikel 73, eerste lid, Vw van rechtswege schorsende werking heeft. Gelet op deze verklaring van verweerder en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verzoeker geen belang bij het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
2.9 In dit geval ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 644,-- (1punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).
2.10 De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb te bepalen dat verweerder aan verzoeker het voor het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht ad € 116,-- zal vergoeden.
3. BESLISSING
De voorzieningenrechter:
3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet voldoen;
3.3 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 116,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2004, in tegenwoordigheid van mr. S. Tax als griffier.
afschrift verzonden op: 1 juli 2004
Coll:
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.