Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1556

Datum uitspraak2004-06-25
Datum gepubliceerd2004-08-05
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 02/64601
Statusgepubliceerd


Indicatie

Procesbelang / intrekking besluit / besluitmoratorium. Eiser heeft belang bij een inhoudelijk oordeel over het ingetrokken besluit. Gelet op artikel 8:72, eerste en vijfde lid, Awb kan de rechtbank enkel bij een gegrond beroep verweerder een termijn stellen voor het nemen van een nieuw besluit. Als de rechtbank zich niet buigt over de vraag of het bestreden besluit al dan niet in rechte stand kan houden, betekent dit dat verweerder de volledige nieuwe beslistermijn wordt gegund en dat deze termijn nog kan worden verlengd overeenkomstig het op het moment van de intrekking van het besluit geldend besluitmoratorium. DIt kan inhouden dat verweerder eerst na anderhalf jaar een nieuw besluit hoeft te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser belang bij een kortere beslistermijn dan anderhalf jaar. Hierbij is mede betrokken de omstandigheid dat ook verweerder de mening is toegedaan dat eiser procesbelang heeft en diens beroepgegrond acht, gelet op de Afdelingsuitspraak 200305232/1 van 12 januari 2004. Op grond van de huidige onzekere situatie in Centraal-Irak die ten grondslag ligt aan het geldende besluitmoratorium voor asielzoekers uit Centraal-Irak, is het thans niet mogelijk voor verweerder om een zorgvuldige beslissing te nemen. Nu de rechtbank ambtshalve bekend is dat het besluitmoratorium tot 27 juni 2004 van kracht is, acht de rechtbank het redelijk te bepalen dat verweerder binnen zes weken na beëindigen van dit moratorium een nieuw besluit neemt. Beroep gegrond.


Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE ZITTINGHOUDENDE TE ’S-HERTOGENBOSCH sector bestuursrecht enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken UITSPRAAK Zaaknummer : AWB 02/64601 Datum uitspraak: 25 juni 2004 Uitspraak op het beroep in het geschil tussen: A, hierna te noemen: eiser, gemachtigde mr. M.R.F. Berte, advocaat te Waalwijk, en de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, hierna te noemen: verweerder. I. PROCESVERLOOP Op 10 december 2000 heeft eiser, van Iraakse nationaliteit, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft op 20 juni 2002 eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Daarop heeft eiser zijn zienswijze schriftelijk naar voren gebracht. Bij besluit van 30 juli 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 22 augustus 2002 beroep ingesteld. Bij brief van 20 september 2002 heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Bij faxbericht van 11 maart 2004 heeft verweerder bericht dat het besluit van 30 juli 2002 is ingetrokken en dat opnieuw zal worden beslist. Verweerder heeft daarbij medegedeeld dat eiser deze beslissing in Nederland mag afwachten. Tevens heeft verweerder aangegeven bereid te zijn om de proceskosten te vergoeden. De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 maart 2004, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen dhr. H. Chabou. Verweerder heeft zich niet ter zitting doen vertegenwoordigen. Ter zitting heeft de rechtbank besloten het onderzoek met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te schorsen. Hiertoe heeft de rechtbank redengevend geacht dat gemachtigde van eiser ter zitting heeft aangegeven het beroep, ondanks de intrekking van het besluit van 30 juli 2002 door verweerder, te handhaven. Volgens gemachtigde van eiser heeft eiser ingevolge artikel 6:19, derde lid, van de Awb belang bij handhaving van het beroep. Bij brief van 12 maart 2004 heeft de rechtbank verweerder verzocht om schriftelijk te reageren op hetgeen gemachtigde van eiser ter zitting naar voren heeft gebracht met betrekking tot de handhaving van het beroep. Hierop heeft verweerder bij brief van 16 april 2004 gereageerd. Voorts heeft verweerder op 7 juni 2004 ingevolge artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb toestemming verleent om de zaak zonder nadere zitting af te doen. Gemachtigde van eiser heeft vervolgens bij brief van 15 juni 2004 zowel een reactie gegeven op de brief van verweerder van 16 april 2004 alsmede ingevolge artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb toestemming verleent om de zaak zonder andere zitting af te doen. II. OVERWEGINGEN De rechtbank dient in de onderhavige zaak te beoordelen of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Bij faxbericht van 11 maart 2004 heeft verweerder aan eiser en de rechtbank medegedeeld dat het bestreden besluit van 30 juli 2002 is ingetrokken. Daarbij heeft verweerder aangegeven een nieuw besluit te zullen nemen. Gemachtigde van eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat eiser ingevolge artikel 6:19, derde lid, van de Awb belang heeft bij handhaving van het beroep. Dit belang zou allereerst gelegen zijn in het feit dat eiser belang heeft bij een spoedige (nieuwe) beslissing van verweerder. Gemachtigde van eiser heeft de rechtbank dan ook verzocht het beroep gegrond te verklaren en verweerder een termijn te stellen van zes weken voor het nemen van een besluit onder oplegging van een dwangsom voor iedere dag dat verweerder die termijn overschrijdt. Voorts heeft eisers gemachtigde het beroep niet ingetrokken, omdat zij van mening is dat verweerder, naast een veroordeling in de door eiser gemaakte proceskosten, ingevolge artikel 8:73 van de Awb de schade moet vergoeden die door de eisende partij is geleden. Die schade bestaat uit de reiskosten die twee broers van eisers, die als getuigen door eiser zijn opgeroepen, gemaakt hebben. Zij zijn met de auto vanuit Oss naar Den Bosch gereden. In reactie hierop heeft verweerder bij brief van 16 april 2004 laten weten dat gemachtigde van eiser kan worden gevolgd in haar stelling dat eiser procesbelang heeft bij het onderhavige beroep. Volgens verweerder kan, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 januari 2004 (nr. 200305232/1) worden vastgesteld dat het bezwaarschrift een redelijke kans van slagen heeft. In die zin acht verweerder het beroep gegrond. Verweerder wenst daarbij nog wel op te merken dat hij bij brief van 27 juni 2003 de Tweede Kamer heeft geïnformeerd over het besluit om op grond van artikel 43, onder a, van de Vw 2000 een besluitmoratorium voor asielzoekers uit Centraal-Irak in te stellen. Dit besluit is op 27 maart 2003 in werking getreden en eindigt op 1 februari 2004. Tevens heeft het kabinet besloten de duur van het reeds ingestelde besluit- en vertrekmoratorium voor asielzoekers uit Noord-Irak te verlengen tot 1 februari 2004. Verweerder geeft, onder verwijzing naar de brief van 2 september 2003, aan dat het gelet op de onzekere situatie in Irak thans niet mogelijk is een zorgvuldige beslissing op het bezwaarschrift te nemen. Gelet hierop verzoekt verweerder de rechtbank, voorzover de rechtbank opnieuw toepassing wenst te geven aan artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, om een redelijke beslistermijn te stellen na beëindiging van het besluitmoratorium. Verweerder verzoekt tevens het verzoek tot het opleggen van een dwangsom af te wijzen. Verweerder is voorts van mening dat er geen plaats is voor het vergoeden van de reiskosten van de twee getuigen (broers) die door eiser zijn opgeroepen. In dat verband merkt verweerder op dat ingevolge artikel 8;36, tweede lid, van de Awb de kosten van getuigen die door partijen zelf zijn ingeschakeld voor rekening van de partijen zelf komen. In de visie van verweerder kan er wel aanleiding zijn deze kosten, voorzover zij redelijkerwijs zijn gemaakt, te betrekken bij een proceskostenveroordeling ingevolge artikel 8:75 van de Awb. In het onderhavige geval verzoekt eiser een vergoeding van de reiskosten van zijn twee getuigen ingevolge artikel 8:73 van de Awb. Naar de mening van verweerder vallen deze kosten niet onder het toepassingsbereik van artikel 8:73 van de Awb, omdat artikel 8:75 van de Awb een exclusieve regeling geeft voor de vergoeding van de in de beroepsfase gemaakte proceskosten. Volgens verweerder dient het verzoek dan ook te worden afgewezen. Gemachtigde van eiser heeft vervolgens bij brief van 15 juni 2004 naar voren gebracht dat zij zich niet kan verenigen met de stelling van verweerder dat gezien de onzekere situatie in Irak het thans niet mogelijk is een zorgvuldige beslissing te nemen op het bezwaarschrift. In dat kader heeft gemachtigde van eiser een beschikking van 23 april 2004 overgelegd van een vreemdeling, die evenals eiser, afkomstig is uit Centraal-Irak. Ondanks het besluitmoratorium heeft verweerder zich in die zaak gehouden aan de termijn van zes weken die was gesteld door de rechtbank Middelburg. Namens eiser wordt verder opgemerkt dat het met betrekking tot de kosten van de getuigen juist is dat artikel 8:73 van de Awb geen toepassing kan vinden, nu artikel 8:75 van de Awb reeds voorziet in de mogelijkheid van schadevergoeding. Eiser verzoekt de rechtbank dan ook schadevergoeding toe te kennen op grond van artikel 8:75 van de Awb. Hierbij wenst eiser op te merken dat verweerder slechts een dag voor de behandeling van het onderhavige beroep ter zitting te kennen heeft gegeven het bestreden besluit in te trekken, waardoor de twee opgeroepen getuigen niet meer konden worden afgezegd. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Awb brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit. Ingevolge artikel 6:19, derde lid, van de Awb staat intrekking van het bestreden besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft. Ingevolge artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van een nieuw besluit. Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van zijn beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser belang bij een inhoudelijk oordeel over het ingetrokken besluit van 30 juli 2002. Gelet op artikel 8:72, eerste en vijfde lid, van de Awb kan de rechtbank immers enkel bij een gegrondverklaring van het beroep aan verweerder een termijn stellen voor het nemen van een nieuw besluit. Zou de rechtbank zich namelijk niet buigen over de vraag of het besluit van 30 juli 2002 al dan niet in rechte stand kan houden, betekent dit dat verweerder sowieso de volledige nieuwe beslistermijn wordt gegund en dat deze nieuwe termijn eventueel nog kan worden verlengd overeenkomstig het op het moment van de intrekking van het besluit geldend besluitmoratorium. Dit zou dan vervolgens voor eiser kunnen inhouden dat verweerder eerst na anderhalf jaar een nieuw besluit hoeft te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, die reeds op 10 december 2000 een asielaanvraag heeft ingediend, echter belang bij een kortere beslistermijn dan de genoemde anderhalf jaar. Hierbij is door de rechtbank mede betrokken de omstandigheid dat ook verweerder de mening is toegedaan dat eiser procesbelang heeft en diens beroep, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 januari 2004 (nr. 200305232/1), gegrond acht. Nu uit het vorenstaande reeds blijkt dat niet in geschil is dat het bestreden besluit van 30 juli 2002 niet in rechte in stand kan blijven, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen. Ofschoon eiser, zoals hiervoor is overwogen, belang heeft bij een redelijke beslistermijn heeft eiser eveneens belang bij een zorgvuldige besluitvorming. Op grond van de huidige onzekere situatie in Centraal-Irak, die ten grondslag ligt aan het op dit moment geldende besluitmoratorium voor asielzoekers die hieruit afkomstig zijn, is het thans niet mogelijk voor verweerder om een zorgvuldige beslissing te nemen. Nu de rechtbank ambtshalve bekend is dat voornoemd besluitmoratorium tot 27 juni 2004 van kracht is, acht de rechtbank het voor beide partijen redelijk om te bepalen dat verweerder binnen zes weken na beëindigen van dit moratorium een nieuw besluit neemt. Voor het opleggen van een dwangsom is er naar het oordeel van de rechtbank evenwel geen ruimte, aangezien dit ingevolge artikel 8:72, zevende lid, van de Awb enkel kan, indien of zolang verweerder niet voldoet aan een uitspraak. De rechtbank is voorts van oordeel dat de kosten die de twee getuigen hebben gemaakt geen aanleiding vormt om het reeds ingetrokken besluit van 30 juli 2002 te vernietigen. Het is immers vaste jurisprudentie dat de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken, onvoldoende aanleiding vormt voor een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De rechtbank ziet daarnaast evenmin aanleiding om verweerder te veroordelen in de – overigens niet nader gespecificeerde - reiskosten die de twee door eiser opgeroepen getuigen hebben gemaakt. Uit artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de toelichting daarop, blijkt immers dat de voor vergoeding van de kosten van een getuige de voorwaarde wordt gesteld dat de partij of belanghebbende die deze getuige heeft ingeschakeld erop mocht vertrouwen dat de getuige een relevante bijdrage aan de procedure zou leveren. Nog daargelaten dat verweerder in casu het bestreden besluit reeds heeft ingetrokken voordat de getuigen ook maar eventueel hadden kunnen worden gehoord, blijkt uit de brief van gemachtigde van eiser van 2 maart 2004 dat de twee broers van eiser zijn opgeroepen om te getuigen dat eiser de door hem gestelde identiteit en nationaliteit heeft. Nu de rechtbank uit het bestreden besluit niet is gebleken dat verweerder hieraan twijfelt, mocht en kon eiser er dan ook niet op vertrouwen dat zijn getuigen een relevante bijdrage zouden leveren aan de onderhavige procedure. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank wel termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: ? 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift; ? 1 punt voor het verschijnen ter zitting; ? waarde per punt € 322,-; ? wegingsfactor 1. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank. Mitsdien wordt beslist als volgt. III. BESLISSING De rechtbank, - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat verweerder binnen zes weken na het verstrijken van het besluitmoratorium in Centraal-Iraakse zaken een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; - veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,-, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier. Aldus gedaan door mr. N.W.A. Stegeman-Kragting als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.A.M.J. Smulders als griffier op 25 juni 2004. Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij: Raad van State Afdeling bestuursrechtspraak Hoger beroep vreemdelingenzaken Postbus 16113 2500 BC ’s-Gravenhage De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Afschriften verzonden: 25 juni 2004