Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1499

Datum uitspraak2004-07-08
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 03/2575 en 03/2676
Statusgepubliceerd


Indicatie

Nu geen concreet zicht is op legalisering van de aangelegde (kampeer)voorzieningen en derhalve niet kan worden gesproken van bijzondere omstandigheden had verweerder het belang van handhavend optreden voorop dienen te stellen. Voorts biedt de gedoogbeslissing onvoldoende bescherming aan eisers tegen hinder en overlast door kampeeractiviteiten, zodat deze wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel dient te worden vernietigd.


Uitspraak

Rechtbank Arnhem Sector bestuursrecht Registratienummer: AWB 03/2575 en 03/2676 Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [X], eiser, wonende te [A], vertegenwoordigd door mr. J.R. Zeelenberg, [Y], eiseres, wonende te [B], hierna gezamenlijk te noemen eisers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heumen, verweerder alsmede Scouting Nederland, gevestigd te Leusden, partij ex artikel 8:26 van de Awb, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 1 oktober 2003. 2. Procesverloop Bij brief van 27 februari 2003 heeft verweerder gereageerd op een verzoek van eisers tot handhavend optreden jegens Scouting Nederland in verband met het gebruik van het Tommesbos en Heurkensveld in verweerders gemeente. Bij het in rubriek 1 genoemde besluit heeft verweerder het tegen deze brief gemaakte bezwaar van eisers gegrond verklaard, de beslissing om niet handhavend op te treden ingetrokken en besloten - kort gezegd en voor zover hier van belang - te gedogen dat door Scouting Nederland wordt gekampeerd in het Tommesbos en het Heurkensveld alsmede te gedogen de op die terreinen aangelegde waterleiding en het toiletgebouw in het Heurkensveld. Tegen dit besluit is door eisers afzonderlijk beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank van 9 juni 2004. Eiser en zijn gemachtigde alsmede eiseres zijn aldaar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.P. Koeneman-Broersen. De partij ex artikel 8:26, van de Awb heeft zich niet doen vertegenwoordigen. 3. Overwegingen In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De rechtbank stelt voorop dat de beroepen van eisers zich richten tegen de onderdelen van 3a en 3c van het bestreden besluit, zodat de omvang van het geding tot deze onderdelen is beperkt. Aan het bestreden besluit ligt - kort gezegd - ten grondslag dat, totdat een definitieve regeling in werking treedt, het kamperen door Scouting Nederland in het Tommesbos en Heurkensveld wordt gedoogd waarbij de regeling van het Bestemmingsplan 1997 voor bijzondere verblijfsrecreatie als uitgangspunt heeft gediend. Voorts worden gedoogd de waterleiding in Tommesbos en Heurkensveld alsmede het toiletgebouw in Heurkensveld totdat een definitieve regeling in werking treedt. Eisers hebben de juistheid van het bestreden besluit beargumenteerd bestreden, waarop hieronder, voor zover noodzakelijk, nader wordt ingegaan. Voor wat betreft het toepasselijke planologisch regime moet worden teruggevallen op het bestemmingsplan “Buitengebied Overasselt 1983” waarin aan de terreinen Tommesbos en Heurkensveld de bestemming “Natuurgebied” is toegekend. De rechtbank stelt verder voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een bestuursorgaan de beslissing om al dan niet handhavend op te treden dient te baseren op een afweging van alle betrokken belangen. Uit verweerders brief van 27 februari 2003 leidt de rechtbank af dat zowel de aangelegde waterleiding in genoemde terreinen als het toiletgebouw in het Heurkensveld niet in overeenstemming zijn met de bestemmingen “Natuurgebied” respectievelijk “Agrarische doeleinden III” en evenmin onder het overgangsrecht vallen. Aldus is de handhavingsbevoegdheid van verweerder gegeven. In dat kader dient het bestuursorgaan een belangenafweging te maken waarbij aan het belang van de handhaving van wettelijke voorschriften een groot gewicht toekomt. In dit verband merkt de rechtbank in de eerste plaats op dat niet is gebleken dat verweerder de belangen van eisers heeft meegewogen hetgeen de rechtbank tot de conclusie voert dat de gedoogbeslissing in zoverre in strijd is met artikel 3:4, eerste lid, van de Awb. Genoemde voorzieningen werken nu juist de intensivering van het gebruik van de onderhavige terreinen in de hand, en het is vooral de toegenomen intensiteit van het gebruik waar eisers zich tegen keren. Voorts merkt de rechtbank op dat volgens vaste jurisprudentie het belang van handhavend optreden voorop wordt gesteld behoudens bijzondere omstandigheden. Als bijzondere omstandigheid kan aangemerkt worden het concreet zicht op legalisatie. In het onderhavige geval is daar naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van. Weliswaar is ter zitting gebleken dat verweerder op 1 juni 2004 heeft ingestemd met een concept-ontwerpbestemmingsplan, doch dit acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van concreet zicht op legalisatie, zulks ook in het licht van de eerdere beslissingen van Gedeputeerde Staten tot onthouding van goedkeuring aan de bestemmingen “Bijzondere verblijfsrecreatie” en “Natuurgebied” voor de onderhavige terreinen. De in de visie van verweerder onontbeerlijkheid van genoemde voorzieningen acht de rechtbank geen bijzondere omstandigheid die verweerder had mogen doen afzien van handhavend optreden. Ten aanzien van de gedoogbeslissing ter zake van het kamperen door Scouting Nederland overweegt de rechtbank als volgt. Door de gedoogbeslissing op dit punt niet aan voorwaarden te binden wordt naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geen betekenis gehecht aan het belang van eisers om gevrijwaard te blijven van hinder en overlast. Verweerder heeft uitsluitend op de terreinen aangegeven hoeveel personen maximaal mogen kamperen (volgens de regeling “Bijzondere verblijfsrecreatie” behorend bij het bestemmingsplan “Buitengebied 1997”), doch dit is noch begrensd in aantal overnachtingen noch in locaties op de terreinen. Aldus bestaat de mogelijkheid dat gedurende het gehele jaar in het gehele Tommesbos respectievelijk Heurkensveld door 120 respectievelijk 80 personen (plus 5 toercaravans) wordt gekampeerd. Dit werkt het intensieve gebruik van de terreinen, die eisers juist wensen te bestrijden, in de hand. Ter zitting heeft eiseres door de, met instemming van verweerder, overgelegde tellingen van kampeerders op het Heurkensveld, aangegeven dat de vrees van eisers voor continuering van het sinds de laatste jaren intensieve gebruik, reëel is te achten. Het voorgaande voert de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit in zoverre onvoldoende bescherming biedt aan eisers tegen hinder en overlast en wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking komt. Het hiervoor overwogene brengt de rechtbank tot de conclusie dat de stellingen van eisers doel treffen. De beroepen zijn gegrond en het bestreden besluit komt, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 3:4, eerste lid, van de Awb, artikel 3:2, van de Awb en artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is niet gebleken. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74, van de Awb, tot de volgende beslissing. 4. Beslissing De rechtbank ? verklaart de beroepen gegrond; ? vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de onderdelen 3a en 3c; ? bepaalt dat verweerder binnen zes weken na deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eisers neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; ? veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,- en wijst de gemeente Heumen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; ? bepaalt voorts dat de gemeente Heumen aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 116,- en aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad € 116,- vergoedt. Aldus gegeven door mr. V.M. van Daalen-Mannaerts, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M.B. van Eeten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2004 De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. Verzonden op: