
Jurisprudentie
AQ1480
Datum uitspraak2004-06-29
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/060010-04
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/060010-04
Statusgepubliceerd
Indicatie
organisator invoer bolletjes cocaïne uit de Antillen veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf.
Uitspraak
RECHTBANK ZUTPHEN
Meervoudige kamer voor strafzaken
Parketnummer: 06/060010-04
Uitspraak d.d.: 29 juni 2004
tegenspraak / oip
VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
thans gedetineerd in het huis van bewaring te Arnhem Noord.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juni 2004.
Ter terechtzitting gegeven beslissing
Ter terechtzitting is het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis afgewezen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 8 januari 2004 in de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol) en/of Zwolle en/of Arnhem, althans elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine (in elk geval op een tijdstip een hoeveelheid van ongeveer 1000 gram en/of 650 gram), zijnde cocaine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
art 2 lid 1 ahf/ond A Opiumwet
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
ALTHANS, dat
[medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 8 januari 2004 in de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol) en/of Zwolle en/of Arnhem, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine (in elk geval op een tijdstip een hoeveelheid van ongeveer 1000 gram en/of 650 gram), zijnde cocaine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 8 januari 2004 in de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol) en/of Zwolle en/of Arnhem, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] te vervoeren van/naar luchthaven Schiphol en/of
- voor die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] de reispapieren te regelen (ticket(s)) en/of reiskosten te betalen en/of
- van die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] de (geslikte) bolletjes in ontvangst te nemen;
art 3 lid 1 ahf/ond B Opiumwet
art 11 lid 2 Opiumwet
art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
art 3 lid 1 ahf/ond C Opiumwet
2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2003 tot en met 8 januari 2004 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte tezamen met een ander of anderen, althans alleen, voorgenomen misdrijf om (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, (telkens) opzettelijk een hoeveelheid bolletjes houdende een materiaal bevattende cocaine te slikken voorafgaand aan de vlucht(en) Curacao-Nederland,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 2 lid 1 ahf/ond B Opiumwet
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
ALTHANS, dat
[medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] op een of meer tijdstppen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 8 januari 2004 in de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol) en/of Zwolle en/of Arnhem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 8 januari 2004 in de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol) en/of Zwolle en/of Arnhem, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] te vervoeren van/naar luchthaven Schiphol en/of
- voor die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] de reispapieren te regelen (ticket(s)) en/of reiskosten te betalen en/of
- van die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] de (geslikte) bolletjes in ontvangst te nemen;
art 3 lid 1 ahf/ond B Opiumwet
art 11 lid 2 Opiumwet
art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
art 3 lid 1 ahf/ond C Opiumwet
Taal- en/of schrijffouten
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Verzoek verdediging
De raadsman van verdachte heeft verzocht om toevoeging aan het dossier van de verklaringen die door de mededaders [medeverdachte1], [medeverdachte3] en [medeverdachte2] ter terechtzitting zijn afgelegd. In navolging van de beslissing van de rechtbank van 6 april 2004 wordt het verzoek wederom afgewezen. Bedoelde verklaringen zijn afgelegd ter openbare terechtzitting, terwijl de raadsman bovendien de gelegenheid heeft gehad de betrokkenen bij de rechter-commissaris uitvoerig te doen horen.
Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
1. hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 8 januari 2004 in de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol) en/of Zwolle en/of Arnhem, telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2. hij op tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2003 tot en met 8 januari 2004 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte tezamen met anderen voorgenomen misdrijf om telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, door opzettelijk een hoeveelheid bolletjes houdende een materiaal bevattende cocaïne te slikken voorafgaand aan de vluchten Curaçao-Nederland,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bewijsoverweging
Vooraf overweegt de rechtbank, dat zij op het namens verdachte gevoerde verweer, dat [medeverdachte1] tijdens het verhoor op 8 december 2003 als hij spreekt over [afkorting] en hem vervolgens gevraagd wordt wie dan [voornaam verdachte] is, woorden in de mond zijn gelegd door de politie, niet ingaat nu de raadsman aan deze opmerking geen rechtsgevolgen heeft verbonden. De raadsman heeft slechts geconcludeerd dat die verklaring onbetrouwbaar is. De rechtbank deelt deze conclusie niet – dit temeer nu [medeverdachte1] in zijn verklaring van 29 november 2003 al zegt dat [afkorting] de neef is van [betrokkene1], de zoon van [moeder betrokkene1] en onomstreden is dat [verdachte] de neef van [betrokkene1] is - en zal de verklaring bezigen voor het bewijs.
Er zijn bij de politie verklaringen tegen verdachte afgelegd door [medeverdachte1], [medeverdachte2], [medeverdachte3] en [getuige1], die door de rechtbank hierna nog nader zullen worden aangeduid. Behalve [medeverdachte3] hebben genoemde personen hun reeds eerder afgelegde verklaringen in maart 2004 ten overstaan van de rechter-commissaris grotendeels bevestigd. [medeverdachte3] heeft er als enige voor gekozen om na zijn eigen veroordeling zichzelf te belasten. Hij heeft bij de rechter-commissaris – anders dan voorheen - verklaard dat hij de reis zelf heeft geregeld en zelf bolletjes heeft verkocht. [medeverdachte3] geeft aan zich bij deze lezing van de feiten veiliger te voelen. De rechtbank zal de verklaring van [medeverdachte3], die hij heeft afgelegd bij de rechter-commissaris niet bezigen voor het bewijs, nu zij deze verklaring, mede gelet op zijn eerdere verklaringen en de verklaringen van [medeverdachte1], [medeverdachte2] en [getuige1], die hun politieverklaringen wel grotendeels bevestigen bij de rechter-commissaris, niet geloofwaardig vindt.
[medeverdachte2] heeft op 10 maart 2004 bij de rechter-commissaris verklaard, dat hij in totaal 4 keer naar de Antillen is geweest en dat hij eenmaal drugs vanaf de Antillen heeft meegenomen. [medeverdachte2] wenst niet te verklaren aan wie hij de drugs heeft gegeven. Hij is een keer door [verdachte] naar Schiphol gebracht en heeft [betrokkene1] een keer op Curaçao gezien. [medeverdachte2] herkent [betrokkene1] en [verdachte] van foto’s.
[medeverdachte2] heeft bij de politie (p. 499) verklaard de namen van de Antilliaanse jongens die betrokken zijn, niet te willen noemen omdat hij bang voor hen is.
Uit zijn verklaring bij de politie afgelegd (p. 497 ev) blijkt dat [medeverdachte2] de eerste keer eind juni, begin juli 2003 alleen naar Curaçao geweest is, waar hij toen instructies heeft gekregen over het slikken van bolletjes en het smokkelen ervan. Begin juli 2003 is hij een tweede keer naar Curaçao gevolgen, nu samen met [medeverdachte3] en [medeverdachte1]. De reis werd betaald door de organisatie die er achter zat. [medeverdachte3] heeft 90 bolletjes geslikt, [medeverdachte1] 60 en [medeverdachte2] 20. Op het vliegveld moesten zij alledrie door de scan, hetgeen ze geweigerd hebben waarna ze zijn teruggekeerd. Enkele dager later heeft [medeverdachte1] weer geslikt waarna hij op het vliegtuig naar Nederland is gezet. [medeverdachte3], die ook opnieuw geslikt had, werd er weer uitgepikt. [medeverdachte2] is uiteindelijk met 8 bolletjes van 10 gram naar Nederland gevlogen.
Via [medeverdachte1] was [medeverdachte2] (p. 505) met Antilliaanse jongens in contact gekomen rond de zomer van 2003. Een van de Antilliaanse jongens kende [medeverdachte2] reeds; bij hem in Zwolle kocht hij cocaïne. De derde keer (p. 507) zou [medeverdachte2] een kilo cocaïne in zijn bagage meenemen, maar is uiteindelijk met niets teruggekeerd. De vierde keer slikte hij 25 bolletjes (250 gram) en had hij een halve kilo in zijn bagage, maar toen een controle via de scan dreigde, heeft hij medewerking geweigerd en is later leeg naar Nederland gegaan.
[medeverdachte2] verklaart (p. 508) over het feit dat hij enige tijd geleden bezoek heeft gehad van enkele Antillianen. Dit waren de organisatoren van de reizen naar Curaçao. Hij wil hun namen niet noemen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam agent] (p. 255) blijkt dat een [melder] op of omstreeks 11 november 2003 heeft waargenomen dat in de woning van [medeverdachte2] een luide discussie werd gevoerd. Vervolgens kwam een Antilliaan al bellend naar buiten, maar deze verdween snel weer toen hij melder zag staan. Men was aan komen rijden met een Opel Vectra [kenteken]. Deze auto bleek op naam te staan van [betrokkene2]. Deze [betrokkene2] was een week tevoren in deze auto gecontroleerd samen met [betrokkene3], die antecedenten heeft op het gebied van de Opiumwet. Uit informatie van de politie Zwolle blijkt dat [betrokkene2] een relatie heeft met [verdachte]. Ook blijkt uit informatie van de politie Zwolle dat [verdachte] en [betrokkene3] goede bekenden van elkaar te zijn.
[medeverdachte3] heeft bij de politie verklaard (p. 547) dat hij van [medeverdachte1] vernam dat het lucratief was om naar Curaçao te gaan om drugs te gaan halen. Hij is meegegaan naar een Antilliaanse jongen in Zwolle. Later bleek dat het om [verdachte] ging. [verdachte] zou tickets regelen voor [medeverdachte1], [medeverdachte2] en [medeverdachte3]. [verdachte] had een donkergekleurde Opel Vectra. Buiten het vliegtuig Hato werden zij opgewacht door de tante van [verdachte], de moeder van [betrokkene1]. [medeverdachte3] is [betrokkene1] later op Curaçao tegengekomen. Het lukte om met 84-85 bolletjes naar Nederland terug te keren. Op Schiphol werd hij opgewacht door [verdachte] die hem naar Zwolle bracht. De bolletjes zijn door [verdachte], die samen was met [betrokkene1], zijn vrouw en kinderen, opgehaald.
In de maand augustus 2003 is [medeverdachte3] weer naar Curaçao gegaan (p. 551). Hij is toen op Bonaire met 68 bolletjes van 12 gram door de douane betrapt en moest de bolletjes uitpoepen.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard wel eens bij zijn vriendin in [woonplaats] te verblijven.
Op 26 maart 2004 heeft [getuige1] bij de rechter-commissaris verklaard dat [medeverdachte1] cocaïne ging smokkelen en dat er 3 geslaagde pogingen zijn geweest. Ze was er bij toen [verdachte] voor [medeverdachte1] een vliegticket kocht. De laatste keer dat [medeverdachte1] naar de Antillen ging, was in opdracht van de neef van [verdachte]. Daarvóór was het in opdracht van [verdachte]. Er is een reis geweest met [medeverdachte2] en [medeverdachte3]. Dat was in opdracht van [verdachte]. [getuige1] herkent [verdachte] op de foto die is afgebeeld op pagina 558 en de neef op de andere foto op dezelfde pagina. Met de neef heeft ze enkele telefoongesprekken gevoerd (de rechtbank zal hier later op terugkomen).
[medeverdachte1] heeft op 10 maart 2004 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij naar de Antillen gegaan is om drugs te halen uit geldnood. Via [betrokkene4] is hij terechtgekomen bij [verdachte] en hij is getest als bolletjesslikker. Hij verklaart vier keer naar de Antillen geweest te zijn. [medeverdachte1] verklaart bij de rechter-commissaris tevens, dat hij [verdachte] niet wilde verraden en dat hij hem daarom liet schuil gaan onder de naam [afkorting]. Met [betrokkene1] moest hij wel voor de draad komen omdat zijn vriendin (rechtbank: [getuige1]) teveel had verklaard.
Bij de politie heeft [medeverdachte1] verklaard (p. 453) dat hij de laatste keer geprobeerd heeft voor [betrokkene1] bolletjes te smokkelen. [betrokkene1] is een Antilliaanse jongen die eigenlijk [betrokkene1] heet. Hij is een neef van degene die [medeverdachte1] eerder [afkorting] noemde.
[medeverdachte1] heeft verklaard (p. 448 ev) dat hij de eerste keer in de maanden maart en april 2003 is gevlogen, maar dat hij toen niet gesmokkeld heeft, omdat hij niets meekreeg. Als dat wel het geval was geweest dan had hij ze gesmokkeld.
Over de tweede keer verklaart hij (p. 451) dat het een paar weken na de eerste keer was. Met [betrokkene4] is hij met de zwarte Opel Vectra naar Schiphol gegaan. Op pagina 470 verklaart hij dat het smokkelen voor [betrokkene1] toen gelukt is. De derde keer (p. 471) ging hij ook voor [betrokkene1]. Ook toen is de smokkel gelukt. De vierde keer is hij met [medeverdachte2] en [medeverdachte3] naar de Antillen geweest (p. 469).
[medeverdachte1] herkent [verdachte] van een foto (p. 469 jo. 475).
Op 1 november 2003 (p. 576) wordt er door een onbekend gebleven persoon gebeld met [medeverdachte1]. Er wordt afgesproken op het Centraal Station in Utrecht. Uit het stamproces-verbaal (p. 43) blijkt dat het telefoonnummer waarmee naar [medeverdachte1] werd gebeld op naam is gesteld van [achternaam moeder kinderen], [adres] te [woonplaats], dat op dat adres staat ingeschreven [naam moeder kinderen] met haar twee kinderen [kind1] en [kind2] en dat de vader van de kinderen [betrokkene1], geboren op [geboortedatum], wonende te [woonplaats] betreft.
De rechtbank bezigt tevens het telefoongesprek van 28 november 2003 op pagina 579 voor het bewijs. Vanuit een telefooncel [adres] te Nijmegen belt [betrokkene1] met [getuige1]. Uit dit telefoongesprek blijkt dat [betrokkene1] weet dat [medeverdachte1] die dag om elf of twaalf uur terug had moeten zijn. Op 28 november 2003 is [medeverdachte1] op Schiphol aangehouden (p. 82).
De passagierslijsten die in het proces-verbaal vanaf pagina 438 zijn opgenomen worden ook gebruikt als bewijsmiddelen.
Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig bewezen en heeft daaruit de overtuiging verkregen, dat verdachte de feiten als weergegeven in de hiervoor weergegeven bewezenverklaring heeft begaan.
Ten slotte heeft de rechtbank in haar overwegingen met betrekking tot het bewijs de omstandigheid meegewogen dat verdachte en zijn medeverdachte zich vanaf het begin hebben beroepen op hun zwijgrecht en geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om opheldering te verschaffen, waar feiten en omstandigheden wijzen in de richting van betrokkenheid bij het tenlastegelegde.
Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezene levert op de misdrijven:
feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder a van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2: poging tot medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder a van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Oplegging van straf en/of maatregel
De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij haar straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte samen met zijn medeverdachte andere personen bolletjes cocaïne heeft laten smokkelen, die bestemd waren voor de verdere verspreiding en handel. Verdachte heeft enkel en alleen gehandeld uit financieel gewin zonder zelf gevaar te lopen en heeft zich niet bekommerd om de gevaren voor de gezondheid van de koeriers noch van de gebruikers van harddrugs. De internationale drugshandel maakt bovendien een grove inbreuk op de Nederlandse en internationale rechtsorde en heeft ernstige maatschappelijke gevolgen in het binnen- en buitenland. Het is een feit van algemene bekendheid dat gebruikers van harddrugs hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen (trachten te) bekostigen.
Verdachte is vaker voor soortgelijke feiten veroordeeld en zijn proceshouding kan niet in zijn voordeel spreken. Verdachte ziet het laakbare van zijn handelen kennelijk niet in.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 47, 57, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
BESLISSING
De rechtbank beslist als volgt.
Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder a van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2: poging tot medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder a van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Verklaart de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.
Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Aldus gewezen door mr. De Bie, voorzitter, mrs. Van Beuge en Hemrica, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Bruijn-van der Sluijs, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 juni 2004.