
Jurisprudentie
AQ1363
Datum uitspraak2004-07-14
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200308430/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200308430/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 19 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Abcoude (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het vergroten van een woonhuis door middel van een kapopbouw op het perceel, kadastraal bekend, Abcoude, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend, [locatie] te Abcoude (hierna: het perceel).
Uitspraak
200308430/1.
Datum uitspraak: 14 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], allen wonend te Abcoude,
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 november 2003 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Abcoude.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Abcoude (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het vergroten van een woonhuis door middel van een kapopbouw op het perceel, kadastraal bekend, Abcoude, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend, [locatie] te Abcoude (hierna: het perceel).
Bij besluit van 6 augustus 2002 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 november 2003, verzonden op 7 november 2003, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 11 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 januari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 11 februari 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door [twee van de appellanten], en het college, vertegenwoordigd door mr. T. de Groot, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar vergunninghouder in persoon verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan voorziet in het vergroten van de woning op het perceel met een kap, waardoor de woning van een derde woonlaag wordt voorzien.
2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Abcoude-West” is het perceel bestemd voor “Woningen klasse B”.
Ingevolge artikel 5, Lid A, aanhef en onder e, van de planvoorschriften mag de als zodanig bestemde grond uitsluitend worden bebouwd met vrijstaande woningen, met dien verstande dat de hoogte van een woning tenminste 5 m en ten hoogste 6 m mag bedragen.
Ingevolge artikel 2, Lid D, van de planvoorschriften wordt bij de toepassing van deze voorschriften de hoogte van de bouwwerken gemeten van bovenkant goot, boeiboord of druiplijn tot aan het gemiddelde maaiveldpeil van het aansluitende afgewerkte terrein of tot aan de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse.
2.3. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Aan het betoog van appellanten dat het bouwplan niet zou stroken met de achterliggende bedoeling van de planwetgever ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan in 1968 en hetgeen appellanten in dat verband hebben aangevoerd, is de rechtbank dan ook terecht niet toegekomen.
2.4. De rechtbank heeft voorts op goede gronden overwogen dat het college bij het oordeel of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand, als bedoeld in artikel 12, eerste lid van de Woningwet, mochten afgaan op het gemotiveerde advies van 4 maart 2002 dat de Provinciale Utrechtse Welstandscommissie (hierna: de PUWC) voor het bouwplan heeft afgegeven. Het feit dat appellanten, naar zij stellen, wegens onbekendheid met het voeren van een juridische procedure eerst in beroep ervan op de hoogte waren dat een tegenadvies zou moeten worden overgelegd en dat derhalve niet eerder hebben kunnen overleggen, maakt dit niet anders. Met de inhoud van de brief van [architect] van 20 september 2003 kan geen rekening worden gehouden, nu deze brief dateert van na het besluit op bezwaar en eerst in hoger beroep is overgelegd.
2.5. Hetgeen appellanten verder in hoger beroep aanvoeren betreft een herhaling van hetgeen zij bij de rechtbank hebben aangevoerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit geen doel kan treffen, nu zich geen van de weigeringsgronden van artikel 44 van de Woningwet voordoet.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004
17-439.