
Jurisprudentie
AQ1362
Datum uitspraak2004-07-14
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200400027/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200400027/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 16 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Goirle (hierna: het college) appellant, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast om binnen 13 weken, met ingang van de dag volgend op de verzenddatum van dat besluit, de woonhuisuitbreiding op de bestaande aanbouw aan de woning op het perceel [locatie] te Goirle (hierna: het perceel), voor zover deze in afwijking van de bouwvergunning van 28 mei 1998 is gebouwd, te slopen en in overeenstemming met die bouwvergunning te brengen.
Uitspraak
200400027/1.
Datum uitspraak: 14 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 november 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Goirle.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Goirle (hierna: het college) appellant, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast om binnen 13 weken, met ingang van de dag volgend op de verzenddatum van dat besluit, de woonhuisuitbreiding op de bestaande aanbouw aan de woning op het perceel [locatie] te Goirle (hierna: het perceel), voor zover deze in afwijking van de bouwvergunning van 28 mei 1998 is gebouwd, te slopen en in overeenstemming met die bouwvergunning te brengen.
Bij besluit van 2 december 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 november 2003, verzonden op 18 november 2003, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 17 februari 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door H. de Jongh, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Schmidt, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De last heeft betrekking op het terugbrengen van de lengte van de uitbreiding op de verdieping van de woning tot 5,60 meter, in overeenstemming met de op 28 mei 1998 verleende bouwvergunning.
2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Centrum-Noord” rust op het perceel de bestemming “Woondoeleinden eengezinshuizen Md”.
Ingevolge artikel II.3, lid A, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen op de tot woondoeleinden eengezinshuizen Md bestemde gronden uitsluitend blokken van tenminste 3 en ten hoogste 7 aaneengebouwde woningen met daarbij behorende gebouwen en bouwwerken, worden gebouwd.
Niet in geschil is dat de woning waarop de aanzegging bestuursdwang betrekking heeft ingevolge genoemd bestemmingsplan is wegbestemd.
Ingevolge artikel V.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, mogen bouwwerken welke bestaan op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerpplan, dan wel in uitvoering zijn of mogen worden opgericht krachtens een bouwvergunning waarvan de aanvraag voor genoemd tijdstip is ingediend en die afwijken van het plan, gedeeltelijk worden uitgebreid, mits de uitbreiding niet meer bedraagt dan 10% van de op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan bestaande oppervlakte van een gebouw.
2.3. Tussen partijen is niet in geschil dat in afwijking van de hierboven vermelde bouwvergunning van 28 mei 1998 is gebouwd, nu daarmee de bij die bouwvergunning maximaal toegestane bouwdiepte is overschreden, en dat appellant derhalve in strijd met artikel 40 van de Woningwet heeft gehandeld, zodat het college terzake handhavend kon optreden.
Voor zover appellant stelt dat de rechtbank in haar oordeel van onjuiste maten van de uitbreiding op de verdieping is uitgegaan, kan de Afdeling hem daarin niet volgen. De rechtbank heeft op grond van de bouwtekening behorende bij de bouwvergunning van 23 maart 1989 met juistheid geconstateerd dat de toegestane diepte van de uitbreiding op de verdieping 4,70 meter bedroeg en dat voor deze uitbreiding bij besluit van 28 mei 1998 bouwvergunning is verleend tot een diepte van 5,60 meter.
2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van een bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.5. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat van concreet zicht op legalisering geen sprake is. Legalisering is alleen mogelijk indien met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling wordt verleend. Het college voert terzake het beleid dat geen vrijstelling wordt verleend, indien de diepte van de woning de zogenoemde 13-meter lijn overschrijdt. De rechtbank heeft dit vrijstellingsbeleid terecht niet onredelijk geacht, terwijl appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit beleid in zijn geval niet had moge worden toegepast.
2.6. Het betoog van appellant dat de aanschrijving moet worden opgevat als zijnde gericht tegen de persoon van appellant omdat in andere beweerdelijk gelijke gevallen niet handhavend is opgetreden, faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat van strijd met het gelijkheidsbeginsel geen sprake is. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem genoemde gevallen met zijn situatie op één lijn kunnen worden gesteld.
2.7. Gelet op het voorgaande behoefde de rechtbank niet meer toe te komen aan de vraag of het gebouwde voldoet aan redelijke eisen van welstand. Hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de totstandkoming van het welstandsadvies en de waarde van het in opdracht van appellant opgestelde tegenadvies behoeft dan ook geen bespreking meer.
2.8. Voor zover appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de last onduidelijk is, faalt dit betoog. Nu het college heeft aangegeven dat de uitbreiding van de woning op de verdieping moet worden teruggebracht naar de situatie zoals deze is vergund bij besluit van 28 mei 1998, is hetgeen van appellant wordt verwacht niet voor tweeërlei uitleg vatbaar.
2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004
17-439.