
Jurisprudentie
AQ1361
Datum uitspraak2004-07-14
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200308400/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200308400/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 15 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een berging op het perceel [locatie] te [plaats].
Uitspraak
200308400/1.
Datum uitspraak: 14 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 november 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een berging op het perceel [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 4 april 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 november 2003, verzonden op 6 november 2003, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 23 februari 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2004, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.I. Jarmoc, ambtenaar der gemeente, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het college terecht heeft geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een berging op het perceel.
2.2. Anders dan appellante betoogt kan niet uit het feit dat binnen negen werkdagen na de behandeling ter zitting door de rechtbank uitspraak is gedaan worden afgeleid dat de aangevallen uitspraak onzorgvuldig zou zijn gedaan.
2.3. Appellant verwijst voorts naar hetgeen hij in bezwaar en beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft echter op goede gronden geoordeeld dat het bouwplan voor de berging in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Russische buurt”. Voorts heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren ten behoeve van het bouwplan vrijstelling te verlenen.
De omstandigheid dat uit de overgelegde kadastrale kaart volgt dat – op een iets andere plaats - aan de zijgevel van het pand van appellant een berging heeft gestaan, betekent niet dat het college niets anders kon doen dan vrijstelling en bouwvergunning verlenen voor de nu aangevraagde berging.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004
17-439.