Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1304

Datum uitspraak2004-07-14
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200308021/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 20 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de opgeslagen (onderdelen van) tribunes en marktkramen op het perceel [locatie] te [plaats] binnen zes weken te verwijderen en verwijderd te houden.


Uitspraak

200308021/1. Datum uitspraak: 14 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 oktober 2003 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk. 1. Procesverloop Bij besluit van 20 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de opgeslagen (onderdelen van) tribunes en marktkramen op het perceel [locatie] te [plaats] binnen zes weken te verwijderen en verwijderd te houden. Bij besluit van 17 januari 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 oktober 2003, verzonden op 21 oktober 2003, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 december 2003. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 5 maart 2004 heeft het college van antwoord gediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. K.P. Severin, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door G. Maatkamp, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. De opslag vindt plaats op het buitenterrein van een paardenfokkerij. De bevoegdheid van het college tot het opleggen van een last onder dwangsom is niet betwist. 2.2. Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de opslagactiviteiten niet alsnog kunnen worden gelegaliseerd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat vrijstelling met toepassing van de toverformule niet mogelijk is. Voorts is het provinciaal beleid, als neergelegd in het streekplan Gelderland 1996, erop gericht niet aan het buitengebied gebonden functies – waarvan hier sprake is – daaruit te weren. Buitenopslag staat het streekplan niet toe. Het perceel ligt op de plankaart van het streekplan binnen de aanduiding “Landelijk gebied C”, landbouw en waardevol landschap. Het beleid is erop gericht daarin ontwikkelingen in de landbouw en van andere functies zodanig vorm te geven of te situeren dat het karakteristieke landschap en de cultuurhistorische (inclusief archeologische) waarden worden behouden. Het gemeentelijk beleid is hiermee in overeenstemming en staat opslag alleen toe als nevenactiviteit en als inpandige opslag. Aangezien de opslag niet inpandig, maar buiten plaatsvindt heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat legalisering niet mogelijk is. Het betoog van appellant dat de rechtbank, in navolging van het college, de opslag ten onrechte niet als nevenactiviteit heeft aangemerkt, kan derhalve onbesproken blijven. 2.3. De rechtbank heeft voorts terecht en op juiste gronden geoordeeld dat het opleggen van een last onder dwangsom niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Hetgeen appellant op dit punt heeft aangevoerd faalt. Het college heeft ten aanzien van de opslag nimmer aangegeven niet tegen de opslag te zullen optreden. De aard en omvang van de opslag noch de omstandigheid dat die zichtbaar is vanaf de openbare weg kan leiden tot het oordeel dat het college het recht op handhaving zou hebben verwerkt. 2.4. Voorts heeft de rechtbank in het betoog van appellant dat hij voor tachtig procent van zijn inkomen afhankelijk is van de verhuur van opslag – waarvoor hij overigens niet alleen dit perceel gebruikt, maar ook percelen in de gemeenten Zutphen en Apeldoorn - geen aanleiding behoeven te zien het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel te vernietigen. Het college heeft, gelet op haar beginselplicht tot handhaving van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan, het belang van appellant ondergeschikt kunnen achten aan het algemeen belang, nu sprake is van een illegale situatie. 2.5. Ook het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat het college ten aanzien van hem niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, faalt. Weliswaar is ter zitting gebleken dat het college de inventarisatie van gevallen waarin in strijd met de bestemming wordt gehandeld nog niet geheel heeft afgerond, maar het college heeft ter zitting verklaard dat het zijn vaste voornemen blijft zo snel mogelijk ook in die gevallen zonodig handhavend op te treden. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat het college in een gelijk geval niet tot handhaving van de bestemmingsplanvoorschriften overgaat. 2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat. w.g. Parkins-de Vin w.g. Nolles Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004 71-291.