Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1303

Datum uitspraak2004-07-14
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200307911/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 3 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Naaldwijk (hierna: het college) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een bedrijfswoning bij het tuinbouwbedrijf op het perceel [locatie] te Naaldwijk, kadastraal bekend sectie […], perceelsnummer […] (hierna: het perceel).


Uitspraak

200307911/1. Datum uitspraak: 14 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 november 2003 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Naaldwijk. 1. Procesverloop Bij besluit van 3 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Naaldwijk (hierna: het college) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een bedrijfswoning bij het tuinbouwbedrijf op het perceel [locatie] te Naaldwijk, kadastraal bekend sectie […], perceelsnummer […] (hierna: het perceel). Bij besluit van 31 januari 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 november 2003, verzonden op 19 november 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 15 januari 2004 heeft het college van antwoord gediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te ’s-Gravenhage, en het college, vertegenwoordigd door S. Westerduin, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het perceel is in het geldende “Bestemmingsplan Buitengebied” van de gemeente Naaldwijk (hierna: het bestemmingsplan) bestemd als “agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)”. Ingevolge artikel 7.1.3. van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming tevens bestemd voor woondoeleinden ten dienste van het betreffende bedrijf, waarbij niet meer dan één bedrijfswoning is toegestaan. Ingevolge artikel 27.2. van de planvoorschriften wordt geen bouwvergunning voor een nieuwe bedrijfswoning verleend, indien de betreffende gronden of het betreffende bedrijf, ten behoeve waarvan de aanvraag om bouwvergunning voor een bedrijfswoning is ingediend, reeds de beschikking hebben/heeft of in het verleden hebben/heeft gehad over een bedrijfswoning. De vergunning is geweigerd omdat de gronden, waarvan het perceel deel uitmaakt, in het verleden de beschikking hebben gehad over de bedrijfswoning [locatie]. 2.2. Niet in geschil is dat het perceel met de percelen […] een tuinbouwbedrijf vormde dat de vader van appellant in 1995 heeft gekocht, met uitzondering van het perceel […], waarop de bedrijfswoning, [locatie], stond. Aan dat perceel is in het bestemmingsplan de bestemming “Woondoeleinden (W)” toegekend, waarmee het aan het agrarische gebruik is onttrokken. 2.3. Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank een onjuiste uitleg aan het begrip “in het verleden” in artikel 27.2. van de planvoorschriften heeft gegeven en daardoor ten onrechte heeft geoordeeld dat dit voorschrift aan verlening van de bouwvergunning in de weg staat. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat dit voorschrift ondubbelzinnig is en dat met dit begrip in het voorschrift tot uitdrukking is gebracht dat de aanwezigheid van een bedrijfswoning in het verleden – ook indien dit vóór de inwerkingtreding van het thans geldende, in 2000 vastgestelde bestemmingsplan het geval was – ertoe leidt dat geen bouwvergunning voor een nieuwe bedrijfswoning mag worden verleend. De omstandigheid dat het begrip niet in de tijd is beperkt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 27.2. van de planvoorschriften geen bouwvergunning voor een nieuwe bedrijfswoning kan worden verleend. 2.4. Appellant heeft voorts betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat het college in dit geval toepassing had moeten geven aan artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Ook dit betoog faalt. Het beleid van het college is gericht op handhaving en versterking van de centrumfunctie van de glastuinbouw en op het weren van nieuwe (bedrijfs)woningen. Verlening van vrijstelling voor de bouw van een bedrijfswoning is in strijd met dit beleid. In de omstandigheid dat appellant het perceel met de overige bedrijfsgronden van zijn vader wil kopen voor de verplaatsing van zijn elders gevestigde bedrijf, dat hij daar moet beëindigen, en appellant een bedrijfswoning ter plaatse noodzakelijk acht in verband met de grootte en de intensiviteit van zijn bedrijfsvoering, heeft het college geen aanleiding behoeven te zien van zijn beleid af te wijken. Daarbij is van belang dat de vader van appellant de bedrijfsgronden in 1995 heeft gekocht zonder de bijbehorende bedrijfswoning, die als burgerwoning in gebruik was. Daarmee heeft de vader van appellant aanvaard, althans het risico genomen ter plaatse niet te kunnen wonen, aangezien het toen geldende bestemmingsplan de bouw van een nieuwe bedrijfswoning evenmin toestond. Voorts is in 2000 tegen de bestemming “Woondoeleinden (W)” geen bezwaar gemaakt. Van een aan de vader van appellant gedane, in rechte te honoreren toezegging van het college dat op het perceel een (tweede) bedrijfswoning kon worden gebouwd, is niet gebleken. Voor zover sprake is geweest van mededelingen van het college aan de vorige eigenaar van het bedrijf ten aanzien van de mogelijke herbouw van twee houten woningen, nos. […], die reeds vóór de overdracht van de bedrijfsgronden waren gesloopt, heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat appellant daarop niet heeft kunnen vertrouwen. 2.5. De rechtbank heeft derhalve terecht en op juiste gronden het beroep van appellant ongegrond verklaard. 2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat. w.g. Parkins-de Vin w.g. Nolles Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004 71-291 .