Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1276

Datum uitspraak2004-07-14
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200307887/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 30 juni 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wierden (hierna: het college) geweigerd om handhavend op te treden ten aanzien van de aanplant van bomen en struiken op een weiland gelegen langs de Bruine Hoopsweg en langs het bungalowpark Hoge Hexel-Zuid te Wierden.


Uitspraak

200307887/1. Datum uitspraak: 14 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 oktober 2003 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Wierden. 1. Procesverloop Bij besluit van 30 juni 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wierden (hierna: het college) geweigerd om handhavend op te treden ten aanzien van de aanplant van bomen en struiken op een weiland gelegen langs de Bruine Hoopsweg en langs het bungalowpark Hoge Hexel-Zuid te Wierden. Bij besluit van 18 december 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 oktober 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 24 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 5 maart 2004 heeft het college van antwoord gediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2004, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door H. van Triest, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Appellant heeft een recreatie-bungalow in de zuidelijke rand van een groep bungalows nabij de Bruine Hoopsweg in de gemeente Wierden. Hij heeft het college verzocht handhavend op te treden ten aanzien van stroken met bomen dan wel boomvormers en struiken langs de Bruine Hoopsweg en langs de rand van het gebied met bungalows. Deze stroken benemen hem, naar hij stelt, het uitzicht. Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank, dat de betrokken stroken in overeenstemming zijn met de bestemming van de grond. 2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1985” rust op de gronden waarop de stroken zijn aangeplant de bestemming “Agrarisch Gebied”. Deze gronden zijn, voorzover hier van belang, bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf met daarbijbehorende bebouwing en voorzieningen. 2.3. Appellant heeft met de eigenaar van de langs de bungalows aangeplante groenstrook overeenstemming bereikt over twee openingen in die strook met het oog op uitzicht. Het recht op uitzicht op basis van privaatrechtelijke overeenstemming is in het voorliggende geschil niet aan de orde, zomin als de grief van appellant, dat in het weiland tussen de bungalows en de Bruine Hoopsweg soms ook sport en spel plaatsvindt en westelijk van zijn bungalow ook wordt geparkeerd. Het gaat thans uitsluitend om de vraag, of de beplanting in strijd is met de bestemming van de grond. 2.4 De rechtbank is op goede gronden tot het oordeel gekomen dat zulks niet het geval is. Het aanbrengen van afschermende groenstroken - waarvan hier, mede gelet op de ter zitting in hoger beroep getoonde foto’s en kaarten, sprake is – is in beginsel niet in strijd met de agrarische bestemming, tenzij er aanknopingspunten zijn voor het tegendeel. Die aanknopingspunten zijn er in dit geval niet, nu het planten van houtgewassen op gronden met de bestemming “Agrarisch Gebied” ingevolge het bestemmingsplan niet is verboden, noch aanlegvergunningplichtig is. Evenmin is, anders dan appellant heeft betoogd, gebleken dat het in 1996 vastgestelde Landschapsbeleidsplan in de weg staat aan beplanting als hier aan de orde. 2.5. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat. w.g. Parkins-de Vin w.g. Schortinghuis Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004 66.