
Jurisprudentie
AQ1271
Datum uitspraak2004-07-14
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200307528/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200307528/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 15 november 2001 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) appellanten sub 2 de door hen aangevraagde vergunning voor onttrekking aan de bestemming wonen van de woning [locatie] te [plaats] verleend, tegen betaling van een compensatiebedrag van ƒ 8.300,00 (€ 3.766,38).
Uitspraak
200307528/1.
Datum uitspraak: 14 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. het college van burgemeester en wethouders van Ameland,
2. [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 oktober 2003 in het geding tussen:
appellanten sub 2
en
appellant sub 1.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 november 2001 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) appellanten sub 2 de door hen aangevraagde vergunning voor onttrekking aan de bestemming wonen van de woning [locatie] te [plaats] verleend, tegen betaling van een compensatiebedrag van ƒ 8.300,00 (€ 3.766,38).
Bij ongedateerd besluit, verzonden op 2 juli 2002, heeft het college het daartegen door appellanten sub 2 gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 oktober 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten sub 2 ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het besluit van 15 november 2001 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2003, en appellanten sub 2 bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2003, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 9 december 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 18 december 2003 hebben appellanten sub 2 van antwoord gediend.
Bij brief van 6 januari 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2004, waar het college, vertegenwoordigd door W.P. Bakema, gemachtigde, ambtenaar bij de gemeente, is verschenen. Appellanten sub 2 zijn met bericht van verhindering niet verschenen.
Desgevraagd heeft het college bij brief van 22 april 2004 kopieën van een aantal bestemmingsplanbepalingen ingezonden. Deze zijn in kopie aan appellanten sub 2 toegezonden, van wie geen nadere reactie is ontvangen.
2. Overwegingen
2.1. Appellanten sub 2 voeren in hoger beroep alleen aan dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun verzoek op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) om de gemeente Ameland te veroordelen tot vergoeding van door hen als gevolg van het vernietigde besluit geleden schade, bestaande uit rentederving.
Zij doen dit met succes. De rechtbank heeft ten onrechte nagelaten een beslissing te nemen op het verzoek om burgemeester en wethouders tot vergoeding van schade te veroordelen. Zij was hiertoe gehouden, nu dat verzoek voor sluiting van het onderzoek ter zitting is gedaan en het beroep gegrond is verklaard.
Gelet hierop is het hoger beroep van appellanten sub 2 gegrond en dient de aangevallen uitspraak op dit punt te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, mede gelet op het hiernavolgende.
2.2. Ingevolge artikel 25 van de Huisvestingsverordening 1999 van de gemeente Ameland (hierna: de Huisvestingsverordening) is het bepaalde in paragraaf 3.1 "Onttrekking, samenvoeging en omzetting" van toepassing op alle woonruimte binnen de gemeente met uitzondering van de woonruimten die krachtens het bestemmingsplan zijn bestemd voor zomerhuizen, recreatiewoonverblijven en recreatieve appartementen.
Ingevolge artikel 26 van de Huisvestingsverordening, voorzover hier van belang, is het verboden om zonder onttrekkingsvergunning een woonruimte, aangewezen in artikel 25, geheel of gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning te onttrekken.
2.3. Vaststaat dat ingevolge het in 1993 in werking getreden en nog steeds geldende bestemmingsplan "Buren" op het pand aan de [locatie] te [plaats] de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden" rust.
[naam een der appellanten] heeft voornoemd pand, een voormalige (kampeer)boerderij waarvan het voorgedeelte is ingericht als woonhuis, in 1988 gekocht van zijn schoonmoeder, die tot haar overlijden in 1994 aldaar is blijven wonen. Appellanten sub 2 exploiteren in het achtergedeelte van dit pand een kampeerboerderij; vanaf 1994 is het gedeelte van het pand dat als woonhuis is ingericht, onder meer in gebruik als verblijf van de leiding van de groepen. Bij besluit van 15 november 2001, zoals gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar, heeft het college aan appellanten sub 2 een vergunning verleend voor het onttrekken van de woning aan de bestemming tot bewoning tegen betaling van een compensatiebedrag.
2.4. Het college komt in hoger beroep uitsluitend op tegen het oordeel van de rechtbank dat de woonruimte aan de [locatie] is aan te merken als een recreatiewoonverblijf als bedoeld in artikel 25 van de Huisvestingsverordening op grond waarvan het in artikel 26 van de verordening neergelegde verbod niet op de woonruimte van toepassing is en het college niet bevoegd was de onttrekkingsvergunning te verlenen.
2.4.1. Dit betoog slaagt. Zoals hiervoor is overwogen rust op het pand de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden". Blijkens artikel 9, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften zijn de op de plankaart voor verblijfsrecreatieve doeleinden aangewezen gronden bestemd voor verblijfsrecreatie in de vorm van kamphuizen, kampeerboerderijen en appartementen. Tevens is ingevolge artikel 9, tweede lid, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften, op deze gronden ten hoogste één bedrijfswoning toegelaten.
Het begrip 'recreatiewoonverblijf' komt in het hier van toepassing zijnde bestemmingsplan niet voor, in tegenstelling tot andere bestemmingsplannen op Ameland. De Afdeling verwijst naar artikel 1, onder x, van het bestemmingsplan "De Vleijen" en naar artikel 1, onder i, van het bestemmingsplan "Zomerhuizenterrein Nes-Buren". In deze plannen wordt hieronder verstaan een gebouw, geen woonkeet of caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd om uitsluitend door een gezin of een daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat/die zijn hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar, overwegend het zomerseizoen, te worden bewoond. De thans in geding zijnde woonruimte kan niet onder deze definitie worden gebracht reeds omdat ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Buren" sprake was van rechtmatige permanente bewoning door één persoon. De Afdeling concludeert uit het hiervoor overwogene dat de woonruimte niet onder de uitzondering van artikel 25 van de Huisvestingsverordening valt. Het beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
2.5. Aangezien de rechtbank niet is toegekomen aan een oordeel over de juistheid van de verlening van de onttrekkingsvergunning, zoals in bezwaar gehandhaafd, naar aanleiding van de daartegen door appellanten sub 2 in beroep aangevoerde gronden en zich voorts niet heeft uitgelaten over het verzoek van appellanten sub 2 op grond van artikel 8:73 van de Awb, ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State, de zaak ter verdere behandeling naar de rechtbank terug te wijzen.
2.6. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.
2.7. Tevens wordt bepaald dat het door appellanten sub 2 voor de behandeling van het hoger beroep gestorte griffierecht door de secretaris van de Raad van State wordt terugbetaald.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 oktober 2003, reg. no. 02/880 Beslui;
II. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
III. stelt de door appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;
IV. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan appellanten sub 2 het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 175,00) terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Broodman
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004
204-426.