
Jurisprudentie
AQ1265
Datum uitspraak2004-07-14
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200307401/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200307401/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 6 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasdonk (hierna: het college) afwijzend beslist op het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen de afwijkingen van de aan [vergunninghouder] verleende vergunning voor de bouw van een woning met garage op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Uitspraak
200307401/1.
Datum uitspraak: 14 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de inspecteur van de Ruimtelijke Ordening, regio Zuid,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
's-Hertogenbosch van 18 september 2003 in het geding tussen:
[vergunninghouder], wonend te [woonplaats]
en
het college van burgemeester en wethouders van Maasdonk.
1. Procesverloop
Bij besluit van 6 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasdonk (hierna: het college) afwijzend beslist op het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen de afwijkingen van de aan [vergunninghouder] verleende vergunning voor de bouw van een woning met garage op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 december 2002, verzonden 12 december 2002, registratienummer AWB 02/3386 GEMWT heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch het daartegen door vergunninghouder ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 29 oktober 2002 vernietigd.
Bij besluit van 17 juni 2003 heeft het college het door appellant tegen het besluit van 6 december 2001 gemaakte bezwaar opnieuw gegrond verklaard, dat besluit herroepen en vergunninghouder, onder oplegging van een dwangsom, gelast de woning aan de [locatie] te [plaats] in overeenstemming te brengen met de verleende bouwvergunning van 29 maart 2000, dan wel om hetgeen in strijd met deze bouwvergunning is gerealiseerd af te breken.
Bij uitspraak van 18 september 2003, verzonden op 29 september 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door vergunninghouder ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 17 juni 2003 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 6 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 november 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 13 februari 2004 heeft vergunninghouder een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.
Bij brief van 11 maart 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door drs. C.Y. Mandersloot en mr. J.J. Witte, beiden werkzaam bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, en vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door mr. E. Beele, advocaat te ’s-Hertogenbosch, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord het college, vertegenwoordigd door W.C.M. van Veghel, ambtenaar der gemeente.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 29 maart 2000 heeft het college bouwvergunning verleend voor de bouw van een woning met garage met een maximale inhoud van 825 m3 , hoewel dit bouwplan in strijd was met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Maasdonk”. Deze bouwvergunning is rechtens onaantastbaar geworden.
2.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat vergunninghouder op 6 juli 2000 nieuwe bouwtekeningen heeft ingediend en het college heeft verzocht om medewerking te verlenen aan de daarop aangegeven wijzigingen van het bouwplan. In zijn vergadering van 22 augustus 2000 heeft het college besloten om medewerking aan dat (gewijzigde) bouwplan te verlenen. Op de gewijzigde bouwtekening is daartoe een stempel “Behoort bij het besluit van 29 maart 2000” geplaatst en bij brief van 4 september 2000 heeft het college appellant medegedeeld dat de tekeningen moeten worden beschouwd als bijlage bij de bouwvergunning van 29 maart 2000. Tevens heeft het college vergunninghouder in deze brief op de hoogte gesteld van het op 22 augustus 2000 genomen besluit en hem daarbij uitdrukkelijk medegedeeld dat de gewaarmerkte wijzigingstekeningen behoren bij de bouwvergunning van 29 maart 2000.
2.3. Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de voorzieningenrechter met recht heeft geoordeeld dat in het beroep van vergunninghouder op het vertrouwensbeginsel grond is gelegen voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden, die voor het college aanleiding zouden moeten zijn af te zien van handhavend optreden.
2.4. De Afdeling dient zich in dit verband allereerst een oordeel te vormen over het rechtskarakter van het besluit van het college van 22 augustus 2000.
Nu vergunninghouder met het indienen van de gewijzigde bouwtekeningen onmiskenbaar heeft beoogd voor het aldus aangepaste bouwplan een bouwvergunning te krijgen, is de Afdeling, anders dan de voorzieningenrechter, van oordeel dat in dit geval sprake was een door het college te beoordelen aanvraag om bouwvergunning. Het daarop genomen besluit van het college van 22 augustus 2000 moet worden opgevat als het besluit van het college om vergunning te verlenen voor het gewijzigd uitvoeren van het bouwplan waarvoor de vergunning van 29 maart 2000 was verleend. Dat gezien de omvang van de ten opzichte van het eerder vergunde bouwplan aangebrachte veranderingen deze procedure ten onrechte is gevolgd, kan er, anders dan appellant ter zitting heeft betoogd, niet aan af doen dat het op 22 augustus 2000 door het college genomen besluit het karakter draagt van een wijzigingsvergunning.
2.5. De Afdeling overweegt voorts dat appellant in elk geval op 10 oktober 2001 op de hoogte was van de verleende bouwvergunning. In de bijlage behorende bij een aan het college gerichte brief van die datum stelt hij immers dat bij besluit van 22 augustus 2000 op onrechtmatige wijze bouwvergunning is verleend. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt, hetgeen hij ter zitting ook heeft erkend. Appellant heeft er bewust voor gekozen zich te beperken tot het in gang zetten van een handhavingsprocedure door het college.
Hieruit volgt dat het besluit van het college van 22 augustus 2000 ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar in rechte onaantastbaar was geworden. Het vormt derhalve geen onderdeel van geschil.
2.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden tegen de afwijkingen van de aan vergunninghouder verleende bouwvergunning van 29 maart 2000. De rechtbank heeft dit miskend.
2.7. Het hoger beroep is gegrond, zij het op andere gronden dan appellant heeft aangevoerd. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling kan zelf in de zaak voorzien.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding. Het college zal op na te melden wijze in de proceskosten van het beroep worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 september 2003, AWB 03/1765 VV AWB 03/1766 GEMWT;
III. verklaart het door [vergunninghouder] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit op bezwaar van het college van 17 juni 2003, GG/vV;
V. verklaart het door appellant tegen het besluit van het college van 6 december 2001, [kenmerk], gemaakte bezwaar ongegrond;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maasdonk in de door [vergunninghouder] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door gemeente Maasdonk te worden betaald aan [vergunninghouder];
VIII. gelast dat de gemeente Maasdonk aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 348,00) vergoedt en aan [vergunninghouder] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierrecht (€ 116,00).
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Van Roosmalen
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004
53-439.