Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1114

Datum uitspraak2004-07-14
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200307198/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 19 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maarssen (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van een woning en het plaatsen van een garage op het perceel kadastraal, bekend gemeente [plaats], […], sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te Maarssen (hierna: het perceel).


Uitspraak

200307198/1. Datum uitspraak: 14 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 17 september 2003 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Maarssen. 1. Procesverloop Bij besluit van 19 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maarssen (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van een woning en het plaatsen van een garage op het perceel kadastraal, bekend gemeente [plaats], […], sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te Maarssen (hierna: het perceel). Bij besluit van 27 mei 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voorzover dat betrekking had op de aan de vergunning verbonden voorschriften, en voor het overige ongegrond. Bij uitspraak van 17 september 2003, verzonden op 19 september 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 30 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 12 januari 2004 heeft het college van antwoord gediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. H.N.T. Hoogwout, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. F.A. Konijnenburg en B.B. Barlo, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder] als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Het bouwplan voorziet in het wijzigen van de indeling van een bestaande woning met aanbouw, waarbij de zitkamer, gelegen in de aanbouw, wordt gewijzigd in een eetkamer. Voorts voorziet het in het oprichten van een nieuwe aanbouw aan die woning aan de achterzijde en een garage en carport op het perceel. De te realiseren aanbouw aan de woning bestaat uit een uitbreiding van de aanwezige woonkamer op de begane grond, twee slaapkamers op de eerste verdieping en een zolder. 2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan hebben de gronden, waarop het bouwplan is gesitueerd, deels de bestemming “Woondoeleinden (W6)” en voor het overige de bestemming “Erf (E3)”. Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften mogen op de gronden met de bestemming “Woondoeleinden” uitsluitend eengezinshuizen worden gebouwd, alsmede de daarbij behorende bijgebouwen, zoals aangebouwde woonruimten en aangebouwde of vrijstaande garages en bergplaatsen. Ingevolge artikel 12, tweede lid, mogen de gronden met de bestemming “Erf”, indien en voor zover deze grenzen aan gronden die uitsluitend bestemd zijn voor woondoeleinden (W) of (Wm), uitsluitend worden bebouwd met bijgebouwen, zoals aangebouwde woonruimten en aangebouwde of vrijstaande garages en bergplaatsen en met bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedoeld als overkapping, speeltoestel, erfafscheiding of tuinsieraad, zoals pergola’s of windkeringen, een en ander ten behoeve van of in verband met de eengezinswoningen op de aangrenzende, tot hetzelfde perceel behorende gronden. Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder a, wordt bij de bouw van bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in acht genomen dat bij elke woning overkappingen en bijgebouwen mogen worden gebouwd tot een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 15% van de oppervlakte van het perceel, met dien verstande dat – per tot hetzelfde perceel behorend erf (E) – geen grotere oppervlakte mag worden bebouwd dan 50m2 en het aantal bijgebouwen niet meer dan 2 mag bedragen; een en ander verminderd met zoveel vierkante meter als op de tot hetzelfde perceel behorende gronden met de bestemming “tuin” (T) aan bestaande gebouwen en overkappingen aanwezig is. Ingevolge artikel 35 mogen bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die hetzij door hun bestaan als zodanig, hetzij door hun afmetingen niet voldoen aan de bestemmingen van het plan of aan één of meer bepalingen dezer voorschriften, gedeeltelijk worden vernieuwd of gedeeltelijk worden veranderd, met dien verstande dat vernieuwing of verandering van gebouwen ten behoeve van een voorgenomen ander gebruik, slechts is toegestaan indien ook dat andere gebruik krachtens deze voorschriften is of zal worden toegestaan en reeds bestaande afwijkingen van de bepalingen van dit plan, ook naar hun aard, niet mogen worden vergroot. 2.3. Niet is in geschil dat de bestaande aanbouw deels is voorzien op gronden met de bestemming “Woondoeleinden” en voor het overige op gronden met de bestemming “Erf”. Voorts is niet in geschil dat de te realiseren aanbouw aan de woning is voorzien op gronden met de bestemming “Woondoeleinden” en de garage en carport op gronden met de bestemming “Erf”. 2.4. Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de bestaande en de te realiseren aanbouw aan de woning geen bijgebouwen zijn en aldus heeft miskend dat het bouwplan op dat punt in strijd is met het bepaalde in artikel 12, vierde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften en met de hoogtematen die het bestemmingsplan voor bijgebouwen voorschrijft. Dat betoog faalt. Nu in de planvoorschriften geen begripsomschrijving van de term bijgebouw is opgenomen, dient voor de uitleg van die term te worden aangesloten bij de in de jurisprudentie gangbare. Volgens die jurisprudentie is een bijgebouw een gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. De in artikel 12, tweede lid, vermelde voorbeelden van bijgebouwen geven geen aanleiding hiervan af te wijken. Niet is in geschil dat de bestaande, zomin als de te realiseren aanbouw, functioneel ondergeschikt is aan de woning. Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht betekenis gehecht aan de omstandigheid dat de functie van de ruimtes in de bestaande en de te realiseren aanbouw niet los kan worden gezien van de woonfunctie van de woning en dat er in bouwkundig opzicht, anders dan appellant stelt, geen onderscheid is tussen de woning en de uitbreiding daarvan. De bestaande en de te realiseren aanbouw zijn mitsdien evenmin bouwkundig ondergeschikt aan de woning. 2.5. Appellant heeft voorts betoogd dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de verbouwing van de bestaande uitbouw zo ingrijpend is, dat in feite sprake is van nieuwbouw, zodat het overgangsrecht, neergelegd in artikel 35 van de planvoorschriften, niet van toepassing is. Ook dit betoog faalt. Nu de bestaande uitbouw gedeeltelijk is voorzien op gronden met de bestemming “Erf” en de uitbouw als uitbreiding van het hoofdgebouw aangemerkt dient te worden, is sprake van strijd met artikel 12, tweede lid, van de planvoorschriften. Niet is in geschil dat de uitbouw aanwezig was ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Anders dan appellant betoogt, is artikel 35 van de planvoorschriften van toepassing op het gedeelte van de uitbouw dat zich op gronden met de bestemming “Erf” bevindt. De voorzieningenrechter heeft dan ook met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de enkele wijziging van de zitkamer in een eetkamer in dit deel van de uitbouw niet betekent dat deze niet is aan te merken als een gedeeltelijke vernieuwing, dan wel verandering van het bouwwerk in de zin van deze bepaling. 2.6. Het college heeft ten aanzien van de te bouwen badruimte in de woning aan de bouwvergunning het voorschrift verbonden dat het bouwplan uitgevoerd dient te worden met inachtneming van de aanbevelingen, vermeld in een rapport van bureau InterConcept van 18 juni 2002 en dat de uitvoeringsvoorwaarden en aandachtspunten, vermeld in dat rapport, minimaal moeten worden gerealiseerd. Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college verplicht was akoestisch onderzoek uit te voeren om te waarborgen dat aan de geluidsnormen die uit het Bouwbesluit voortvloeien kan worden voldaan en niet heeft mogen volstaan met het opnemen in de bouwvergunning van voormeld voorschrift. Dat betoog faalt evenzeer. De voorzieningenrechter heeft terecht geen aanleiding gezien om aan te nemen dat, zoals appellant heeft gesteld, het bouwplan, bij realisatie met inachtneming van de aan de bouwvergunning verbonden voorschriften niet aan de vereisten van het Bouwbesluit zal voldoen. In een door appellant ingebracht rapport van bureau Kupers en Niggebrugge van 28 juni 2003 is - voorzover in dit verband van belang - slechts vermeld dat de door voornoemd bureau InterConcept aanbevolen maatregelen geen zekerheid bieden over het antwoord op de vraag of daarmee wordt voldaan aan de geluidseisen van het Bouwbesluit en dat dat bureau aanbevelingen heeft geformuleerd op basis van een indicatie van de aanwezige geluidsisolatie. De voorzieningenrechter heeft hierin terecht geen aanleiding gezien te oordelen dat het college verplicht was akoestisch onderzoek te doen uitvoeren. De enkele omstandigheid dat de tekeningen, behorend bij de vergunning, niet zijn aangepast aan de voorschriften, gesteld in de bouwvergunning, maakt vorenstaand oordeel niet anders. Met bedoelde voorschriften, op de naleving waarvan het college moet toezien, is voldoende verzekerd dat de bouw zal voldoen aan de bepalingen van het Bouwbesluit. 2.7. Het betoog van appellant dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de gestelde verminderde daglichttoetreding in zijn eigen woning als gevolg van de vergroting van de woning van vergunninghouder, niet kan leiden tot het oordeel dat bouwvergunning geweigerd had dienen te worden, slaagt evenmin. De voorzieningenrechter heeft op dat punt terecht overwogen dat geen plaats is voor een belangenafweging, nu het bouwplan, voorzover dat op de vergroting van de woning ziet, niet in strijd is met het bestemmingsplan. 2.8. Appellant betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college het bouwplan ten onrechte niet in strijd met redelijke eisen van welstand heeft geacht. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat de diverse daken van de woning in samenhang met het dak van appellant een chaotisch geheel en rommelig aanzicht opleveren. Dienaangaande overweegt de Afdeling als volgt. Het college heeft slechts verwezen naar het welstandsadvies van 17 september 2001, dat niet meer behelst dan een stempel op de bouwtekening met de mededeling dat het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Nu appellant in bezwaar gemotiveerd heeft betoogd dat het bouwplan niet aan redelijke eisen van welstand voldoet, heeft het college niet mogen volstaan met een enkele verwijzing naar het welstandsadvies, maar had het zijn oordeel, toen het daarbij bleef, nader dienen te motiveren. De beslissing op bezwaar is in zoverre onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. In zoverre slaagt het betoog. 2.9. Appellant kan niet worden gevolgd in de klacht dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de garage is voorzien op een perceel dat buiten de bebouwde kom ligt en het college derhalve ten aanzien van dit bijgebouw niet met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro), vrijstelling en bouwvergunning kon verlenen. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het antwoord op de vraag of een bouwwerk buiten de bebouwde kom is voorzien, afhankelijk is van de feitelijke situatie. Gelet op de overzichtskaarten in het dossier en de toelichting van partijen ter zitting, is de voorzieningenrechter terecht tot het oordeel gekomen dat het perceel binnen de bebouwde kom ligt. 2.10. Artikel 19a van het Bro bepaalt dat de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in artikel 19, eerste lid van de WRO, vergezeld gaat van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het besluit voor de waterhuishouding. Het betoog van appellant dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college niet gehouden was rekening te houden met deze zogeheten watertoets faalt, reeds nu het college ten aanzien van het bouwplan geen toepassing heeft gegeven aan artikel 19, eerste lid, van de WRO. 2.11. Het hoger beroep is, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.8 is overwogen, gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. 2.12. Het dient op na te melden wijze in de door appellant gemaakte proceskosten te worden verwezen. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de aangevallen uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 17 september 2003, in zaak nr. SBR 03/1757; III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maarssen van 27 mei 2003, kenmerk 4795; V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maarssen tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Maarssen aan appellant te worden betaald; VI. gelast dat de gemeente Maarssen aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 291,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Klein Nulent Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004 218-455.