
Jurisprudentie
AQ1097
Datum uitspraak2004-07-14
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200306640/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200306640/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 28 februari 2003, kenmerk MW2002.26806, heeft verweerder krachtens artikel 44 van de Wet bodembescherming aan appellante bevolen de sanering van het geval van bodemverontreiniging aan de Schoolstraat 13/15 te Beuningen alsnog af te ronden conform het saneringsplan waarmee verweerder heeft ingestemd. Verweerder heeft bij dit besluit tevens een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 500,00 per week dat appellante nalaat een aangevuld saneringsplan in te dienen. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, is vastgesteld op € 5.000,00.
Uitspraak
200306640/1.
Datum uitspraak: 14 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Hegoed B.V.”, gevestigd te Beuningen,
appellante,
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 februari 2003, kenmerk MW2002.26806, heeft verweerder krachtens artikel 44 van de Wet bodembescherming aan appellante bevolen de sanering van het geval van bodemverontreiniging aan de Schoolstraat 13/15 te Beuningen alsnog af te ronden conform het saneringsplan waarmee verweerder heeft ingestemd. Verweerder heeft bij dit besluit tevens een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 500,00 per week dat appellante nalaat een aangevuld saneringsplan in te dienen. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, is vastgesteld op € 5.000,00.
Bij besluit van 2 september 2003, kenmerk MW2003.20854, verzonden op 8 september 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 6 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.
Bij brief van 11 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.J. Kastein, advocaat te Leusden, en R.G.M. Stapper, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.M. de Jonge-van Swaay en ing. J.H. van Tuijl, gemachtigden, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van Beuningen, vertegenwoordigd door ing. E.H.T. Raats-Leenders, gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 7 november 2000 heeft verweerder bepaald dat de verontreiniging op het perceel aan de Schoolstraat 13 ter hoogte van de wasplaats deel uitmaakt van het door appellante krachtens artikel 28 van de Wet bodembescherming gemelde geval van verontreiniging ter plaatse van een tankstation op het perceel aan de Schoolstraat 15. Bij dit besluit heeft verweerder voorts ingestemd met het door appellante ingediende saneringsplan, onder de voorwaarde dat dat plan nader wordt ingevuld. Aan deze invulling moest een door appellante uit te voeren nader onderzoek voorafgaan naar de verontreiniging in de bodem op de percelen aan de Schoolstraat 15 en 13 ter hoogte van de wasplaats en naar de verontreiniging van het grondwater.
Bij het besluit van 28 februari 2003 heeft verweerder bepaald dat de nadere invulling van het saneringsplan tevens betrekking moet hebben op het perceel aan de Molenstraat 9, omdat uit nader bodemonderzoek is gebleken dat de verontreiniging zich ook tot dat perceel uitstrekt. Blijkens de stukken heeft appellante geweigerd het saneringsplan aan te vullen omdat de verontreiniging ter hoogte van de wasplaats naar haar mening een apart geval van bodemverontreiniging betreft.
2.2. Volgens appellante heeft verweerder het door haar gemaakte bezwaar ten onrechte ongegrond verklaard, nu hij in de considerans van het bestreden besluit melding maakt van een met appellante gemaakte afspraak om alsnog twee gevallen van bodemverontreiniging te onderscheiden, zoals appellante in haar bezwaarschrift had gevraagd. Appellante stelt dat verweerder in het bestreden besluit er mede gelet hierop ten onrechte van uitgaat dat sprake is van één geval van bodemverontreiniging. Appellante stelt daarnaast dat een krachtens artikel 44 van de Wet bodembescherming gegeven bevel niet kan strekken tot het afdwingen van een aanvulling op een saneringsplan. Voorts stelt zij dat er met het oog op de omstandigheden van dit geval onvoldoende aanleiding is om haar een dergelijk bevel en een last onder dwangsom op te leggen.
2.2.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat nu voornoemd besluit van 7 november 2000 onherroepelijk is, vaststaat dat sprake is van één geval van bodemverontreiniging. Verweerder is voorts van mening dat appellante de bodem niet saneert overeenkomstig haar saneringsplan waarmee verweerder heeft ingestemd, omdat zij heeft nagelaten dat plan nader in te vullen. Verweerder acht zich daarom bevoegd om appellante krachtens artikel 44 van de Wet bodembescherming te bevelen de sanering alsnog af te ronden conform het saneringsplan. Naar aanleiding van een met appellante gemaakte afspraak om het saneringsgeval te splitsen in twee afzonderlijke gevallen heeft hij in de beslissing op het bezwaar de in het primaire besluit opgenomen begunstigingstermijn verlengd.
2.2.2. Ingevolge artikel 44 van de Wet bodembescherming kunnen gedeputeerde staten degene die de bodem niet saneert overeenkomstig een door hem ingediend saneringsplan waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, bevelen alsnog overeenkomstig dat plan te handelen.
2.2.3. Blijkens de considerans van het bestreden besluit hebben partijen na de hoorzitting in het kader van de bezwaarschriftprocedure een afspraak gemaakt. Volgens deze afspraak doet appellante binnen twee maanden een melding als geregeld in artikel 28 van de Wet bodembescherming, waarbij verweerder zal worden verzocht om de verontreiniging ter plaatse van het tankstation en de verontreiniging ter hoogte van de wasplaats aan te merken als twee gevallen van verontreiniging. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat hij het goed denkbaar acht dat na ontvangst van de melding alsnog twee gevallen van verontreiniging kunnen worden onderscheiden. Volgens hem is de sanering ter hoogte van de wasplaats in die situatie waarschijnlijk niet urgent. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet draagkrachtig gemotiveerd waarom onder deze omstandigheden niettemin aanleiding bestond voor het geven van een bevel krachtens artikel 44 van de Wet bodembescherming.
De verontreiniging op het perceel aan de Molenstraat 9 maakt geen deel uit van het saneringsplan waarmee verweerder heeft ingestemd, noch van de bij het besluit van 7 november 2000 gestelde voorwaarden. Aan appellante kunnen daarom niet met een krachtens artikel 44 van de Wet bodembescherming gegeven bevel nadere verplichtingen worden opgelegd voorzover het de verontreiniging betreft op het perceel aan de Molenstraat 9. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 44 van de Wet bodembescherming.
2.2.4. Ten tijde van het nemen van het besluit van 28 februari 2003 vond voorts geen overtreding plaats van het door verweerder op die datum gegeven bevel. Voorzover de in dat besluit opgelegde last onder dwangsom zou moeten worden beschouwd als een preventieve last is niet gebleken van een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat het bevel op zeer korte termijn zou worden overtreden. Verweerder is hieraan ten onrechte voorbij gegaan in het bestreden besluit. Hier komt bij dat verweerder blijkens de voormelde in de considerans van het bestreden besluit weergegeven afspraak en het verhandelde ter zitting in beginsel bereid is om alsnog twee gevallen van bodemverontreiniging te onderscheiden, terwijl hij blijkens het dictum van het bestreden besluit van mening is dat sprake is van één geval van verontreiniging.
Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk gemotiveerd en tevens in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat eist dat een besluit zorgvuldig wordt genomen.
2.3. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen behandeling. De Afdeling ziet aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.
2.4. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 2 september 2003, kenmerk MW2003.20854;
III. herroept het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 28 februari 2003, kenmerk MW2002.26806;
IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellante.
VI. gelast dat de provincie Gelderland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.
w.g. Hirsch Ballin w.g. Sparreboom
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004
301-442.