
Jurisprudentie
AQ1069
Datum uitspraak2004-07-14
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200306382/1 en 200307241/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200306382/1 en 200307241/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij brieven van 15 januari 2001 heeft appellant, zowel de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Staatssecretaris), als de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de Minister), verzocht om vergoeding van door hem gestelde geleden schade.
Uitspraak
200306382/1 en 200307241/1.
Datum uitspraak: 14 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2003 in de gedingen tussen:
appellant
en
de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie en de Minister van Buitenlandse Zaken.
1. Procesverloop
Bij brieven van 15 januari 2001 heeft appellant, zowel de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Staatssecretaris), als de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de Minister), verzocht om vergoeding van door hem gestelde geleden schade.
Bij besluit van 26 maart 2001 heeft de Minister het verzoek afgewezen.
Bij brief van 2 mei 2001 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek aan de Staatssecretaris.
Bij besluit van 11 juli 2001 heeft de Minister het door appellant tegen het besluit van 26 maart 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 juli 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard, voorzover het gericht was tegen het uitblijven van een besluit van de Staatssecretaris, en ongegrond, voorzover het gericht was tegen de handhaving in bezwaar van de afwijzing van het verzoek door de Minister. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) ingekomen op 29 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Op 24 september 2003 heeft de CRvB het hoger beroep doorgezonden aan de Raad van State. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 24 oktober 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
De Minister en die van Vreemdelingenzaken en Integratie hebben van antwoord gediend bij onderscheiden brieven van 14 en 24 november 2003.
De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 10 juni 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. drs. R.P. Dielbandhoesing, advocaat te Den Haag, de Minister, vertegenwoordigd door mr. J.P. Heinrich, vergezeld van mr. M.H. Holterman, en de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, vertegenwoordigd door drs. N.H.A. Arkenbosch, stafmedewerker juridische zaken bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De Afdeling heeft de zaken wegens hun verknochtheid gevoegd behandeld.
2.2. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van de schriftelijke beschikking van 30 juli 1986 van de Adjunct Vice-Consul van de Nederlandse ambassade te [plaats], waarbij het aan hem uitgegeven Nederlands paspoort is ingetrokken, omdat hij van [land] nationaliteit zou zijn.
2.2.1. Appellant heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat zijn paspoort destijds ten onrechte is ingetrokken. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij beschikking van 14 april 1999 op de voet van artikel 17, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap vastgesteld dat hij vanaf zijn geboorte op 12 maart 1952 Nederlander is.
2.3. Appellant klaagt dat de rechtbank, door te overwegen dat hij geen procesbelang heeft bij het beroep tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek aan de Staatssecretaris, miskent dat dat belang gelegen is in het feit dat de handelwijze van de Staatssecretaris de procedure onnodig heeft verlengd en dat van invloed is op de hoogte van de door hem geleden schade.
2.3.1. Dit betoog faalt. Het aldus gestelde belang is niet aannemelijk, omdat de Minister op 26 maart 2001, derhalve nog vóórdat appellant bezwaar had gemaakt tegen het uitblijven van een besluit van de Staatssecretaris, op het verzoek heeft beslist.
2.4. Appellant klaagt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit tot intrekking van zijn Nederlands paspoort formele rechtskracht heeft gekregen en niet is gebleken van bijkomende omstandigheden die zo klemmend zijn, dat daarop een uitzondering moet worden gemaakt. De rechtbank heeft ten onrechte geconcludeerd dat het besluit rechtmatig is, aldus appellant.
2.4.1. Die klacht faalt evenzeer.
Artikel 87 van de Paspoortinstructie Buitenland bepaalt, voorzover thans van belang, dat, indien de houder van een paspoort in omstandigheden is komen te verkeren, die, zou hij een paspoort aanvragen, redenen zouden opleveren hem een paspoort te weigeren, het hoofd van de diplomatieke post, in wiens ressort de betrokkene woont of verblijft, het paspoort kan intrekken. Artikel 89, zoals gewijzigd bij beschikking van de Minister van 31 december 1971, Stcrt. 1972, 13, bood de mogelijkheid tegen een beschikking van het hoofd van een diplomatieke post als die tot intrekking van het paspoort binnen een maand beroep bij de Minister in te stellen. Tegen een beschikking van de Minister op zulk beroep stond beroep op de Afdeling rechtspraak van de Raad van State open. Appellant heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt, zodat het besluit tot intrekking van zijn Nederlands paspoort in rechte onaantastbaar is geworden. Derhalve moet van de rechtmatigheid van dat besluit worden uitgegaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dat de beschikking van 30 juli 1986 - in afwijking van artikel 88 van de Paspoortinstructie Buitenland - niet vermeldt, bij welke autoriteit en binnen welke termijn appellant in beroep kon gaan, levert geen dergelijke bijzondere omstandigheid op, te minder nu appellant destijds de bijstand van een advocaat heeft ingeroepen die daarop met de Nederlandse ambassade in contact is getreden. Ook hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, levert geen bijzondere omstandigheid op die ertoe noopt een uitzondering te maken op het uitgangspunt dat de beschikking van 30 juli 1986 rechtmatig is.
2.5. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.C.M. Ramsahai, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Ramsahai
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004
-401.