Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1035

Datum uitspraak2004-07-14
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200306273/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 1 augustus 2003, kenmerk 03.7181, heeft verweerder aan appellante een vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend voor het lozen van verontreinigd grondwater op de Oude Rijn te Utrecht.


Uitspraak

200306273/1. Datum uitspraak: 14 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [plaats], en het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 1 augustus 2003, kenmerk 03.7181, heeft verweerder aan appellante een vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend voor het lozen van verontreinigd grondwater op de Oude Rijn te Utrecht. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 16 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2003, beroep ingesteld. Bij brief van 20 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 29 maart 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van zowel appellante als verweerder. Deze zijn aan de andere partij toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door H. van Wijngaarden, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door I. de Vries en W.W.M.M. de Vor, ambtenaren van het hoogheemraadschap,zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Appellante voert aan dat de in voorschrift 2.1 van bijlage 1 van de vergunning opgenomen concentratienorm voor ijzer van 2 mg per liter te streng is. Zij is van mening dat een norm gehanteerd dient te worden van 4 mg per liter. Zij stelt hierbij dat onvoldoende is aangetoond dat de waterkwaliteit zal afnemen, dat de lozing te kortstondig is om slibvorming te veroorzaken en dat verweerder uitgaat van een te hoog gehalte aan ijzer in het te lozen grondwater. Tevens stelt zij dat het te verwachten milieurendement niet opweegt tegen de kosten die noodzakelijk zijn om het ijzergehalte tot 2 mg per liter terug te brengen. 2.1.1. Verweerder voert aan dat een hogere concentratienorm tot gevolg kan hebben dat er door de oxidatie van ijzer een dusdanige zuurstofonttrekking plaatsvindt dat het zuurstofgehalte van de Oude Rijn onder de kritische grens komt. Tevens stelt verweerder dat een hogere concentratienorm tot een sterke toename van de hoeveelheid bagger zal leiden. Verweerder voert hierbij aan dat het zijn beleid is om de verontreiniging zoveel mogelijk te beperken en te toetsen aan het stand-still beginsel. De kosten van een verdere ontijzering acht verweerder bij toepassing van de best uitvoerbare technieken niet buitensporig hoog. 2.1.2. Uit de considerans van het bestreden besluit blijkt dat verweerder het rapport “Vrijkomend grondwater bij bodemsaneringen” van de Commissie integraal waterbeheer heeft gehanteerd. In dit rapport is voor klein ontvangend oppervlaktewater zonder kwetsbare functie, waar in de onderhavige situatie sprake van is, een indicatieve concentratienorm voor ijzer van 5 mg per liter opgenomen. Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, stelt de Afdeling vast dat het zuurstofgehalte van het te lozen grondwater hoger is dan het zuurstofgehalte in de Oude Rijn zelf. Tevens stelt de Afdeling vast dat uit de analyseresultaten van het te lozen grondwater blijkt dat het ijzer voornamelijk uit Fe3+ bestaat waardoor geen significante bijdrage aan de vermindering van het zuurstofgehalte valt te verwachten. Ook in hetgeen verweerder ten aanzien van de toename van de slibaanwas heeft aangevoerd is de Afdeling niet gebleken van specifieke omstandigheden die het zouden kunnen rechtvaardigen dat verweerder van het door hem gehanteerde beleidskader is afgeweken. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een strengere concentratienorm dan de door appellante aangevraagde 4 mg per liter noodzakelijk was. 2.2. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. 2.3. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden van 1 augustus 2003, kenmerk 03.7181; III. gelast dat het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat. w.g. Brink w.g. Klap Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004 315.