Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1031

Datum uitspraak2004-07-14
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200305668/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 1 juli 2003, kenmerk Wm 022/03, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouders] vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een champignonkwekerij op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 17 juli 2003 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200305668/1. Datum uitspraak: 14 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 1 juli 2003, kenmerk Wm 022/03, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouders] vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een champignonkwekerij op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 17 juli 2003 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 22 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen 25 augustus 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 september 2003. Bij brief van 27 oktober 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 februari 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2004, waar appellant in persoon, en bijgestaan door mr. M.M. de Vaal, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.A.M. Coppens en ing. H.N.G. van Dalen, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord, [partij]. 2. Overwegingen 2.1. De inrichting waarvoor vergunning is verleend omvat een champignonkwekerij met drie kweekcellen, een kantine en een koelcel. 2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten. 2.3. Appellant verwacht dat de activiteiten vanwege de inrichting zullen leiden tot slaapstoornissen vanwege verkeersbewegingen op het terrein van de inrichting in de avond- en nachtperiode. Volgens hem bieden de voorschriften onvoldoende bescherming, nu het referentieniveau niet is vastgesteld en de inrichting op kortere afstand van zijn woning is gesitueerd dan waar verweerder in het bestreden besluit van uit is gegaan. 2.3.1. Verweerder stelt dat de vergunde grenswaarden gebruikelijk zijn voor champignonkwekerijen en toereikend zijn ter beperking van geluidhinder. 2.3.2. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 6.1.1 mag - voorzover hier van belang - het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en de door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, ter plaatse van de gevel van de woningen van derden en voorzover binnen een afstand van 50 meter van de inrichting geen woningen van derden aanwezig zijn, op enig punt op een afstand van 50 meter van de inrichting niet meer bedragen dan 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Ingevolge voorschrift 6.1.2 mag het maximale geluidniveau - voorzover hier van belang - ter plaatse van de gevel van de woningen van derden en voorzover binnen een afstand van 50 meter van de inrichting geen woningen van derden aanwezig zijn, op enig punt op een afstand van 50 meter van de inrichting niet meer bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. 2.3.3. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vooreerst vast dat de in- en uitrit van en naar de [locatie] deel uitmaakt van de inrichting en dat de woning van appellant is gelegen op minder dan 50 meter afstand van de inrichting. Dit betekent dat de in de voorschriften 6.1.1 en 6.1.2 opgenomen grenswaarden gelden ter plaatse van de gevel van de woning van appellant. Verweerder heeft bij de beoordeling van de geluidbelasting hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998 (verder: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. In dit hoofdstuk wordt voor nieuwe inrichtingen aanbevolen bij de eerste toetsing aan te sluiten bij de richtwaarden voor woonomgevingen uit tabel 4 van de Handreiking. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat de omgeving van de inrichting dient te worden gekwalificeerd als een landelijke omgeving. De in genoemde tabel 4 aanbevolen richtwaarden voor een dergelijke omgeving zijn 40, 35 en 30 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Een overschrijding van de richtwaarden kan toelaatbaar zijn op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid een belangrijke rol speelt. Als maximum geldt de etmaalwaarde van 50 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde woningen of het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Uit de stukken blijkt dat verweerder na het verlenen van de vergunning een onderzoek heeft verricht naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Op basis van dit onderzoek heeft hij geconcludeerd dat de in voorschrift 6.1.1 gestelde grenswaarden aansluiten bij de waarden van het ter plaatse heersende referentieniveau. In het deskundigenbericht wordt opgemerkt dat in dit onderzoek niet de juiste invoergegevens zijn gehanteerd en het ter plaatse heersende referentieniveau circa 3 dB(A) hoger is dan verweerder heeft berekend, te weten 46 dB(A) in de dagperiode en 38 dB(A) in de nachtperiode. Nu de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau lager zijn dan het blijkens de stukken ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid en niet is gebleken dat de grenswaarden niet kunnen worden nageleefd, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in voorschrift 6.1.1 opgenomen grenswaarden een toereikend beschermingsniveau bieden. Het beroep faalt in zoverre. 2.3.4. De Afdeling overweegt wat betreft de voorgeschreven maximale geluidniveaus dat de in voorschrift 6.1.2 gestelde grenswaarden gelijk zijn aan de grenswaarden die in de Handreiking als maximaal aanvaardbaar zijn aangemerkt. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het vaststellen van voorschrift 6.1.2. Wat betreft de naleefbaarheid overweegt de Afdeling dat het uitvoeren van activiteiten in de nachtperiode niet is aangevraagd en dus ook niet is toegestaan. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling op goede gronden berekeningen naar de geluidbelasting in de nachtperiode achterwege gelaten. Wat betreft de avondperiode overweegt de Afdeling dat blijkens de aanvraag incidenteel acht aan- en afvoerbewegingen van verkeer plaatsvinden, waarvan vier met een licht motorvoertuig, twee met een middelzwaar motorvoertuig en twee met een zwaar motorvoertuig. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld, onder verwijzing naar een door hem verrichte meting naar zware vrachtwagens en uitgaande van een piekgeluidbronvermogenniveau van een vrachtwagen van maximaal 107 dB(A), dat aan de grenswaarde voor het piekgeluid in de avondperiode kan worden voldaan. Dit standpunt komt de Afdeling niet onaannemelijk voor. Gelet hierop en hetgeen overigens uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet aan de in voorschrift 6.1.2 opgenomen grenswaarde in de avondperiode kan worden voldaan. Het beroep faalt in zoverre. 2.4. Appellant verwacht geluidhinder te ondervinden vanwege het verkeer van en naar de inrichting. 2.4.1. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat hij de geluidhinder veroorzaakt door verkeer van en naar de inrichting heeft beoordeeld aan de hand van de circulaire van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting” van 29 februari 1996. Daarbij heeft hij de in die circulaire genoemde voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) gekozen als het door hem gewenste beschermingsniveau. Blijkens de aanvraag vinden in de dagperiode 26 aan- en afvoerbewegingen van verkeer per dag plaats, waarvan twintig met een licht motorvoertuig, vier met een middelzwaar motorvoertuig en twee met een zwaar motorvoertuig. De Afdeling stelt vast dat in de aanvraag niet is aangegeven wat de totaal te verwachten geluidbelasting vanwege verkeersbewegingen van en naar de inrichting is. Evenmin blijkt uit de aanvraag - zoals verweerder ook ter zitting heeft erkend - wat het bronvermogenniveau van de betreffende voertuigen is. Voorts zijn aan de verleende vergunning geen voorschriften verbonden ter beperking van aan de inrichting toe te rekenen geluidhinder veroorzaakt door verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Naar het oordeel van de Afdeling hadden deze voorschriften, gelet op de omstandigheden van het geval, niet mogen ontbreken, aangezien ook anderszins niet is gewaarborgd dat deze geluidhinder beperkt blijft tot het niveau dat verweerder binnen het kader van zijn beoordelingsvrijheid als aanvaardbaar heeft aangemerkt. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer. Het beroep is in zoverre gegrond. 2.5. Appellant stelt dat de vergunning onvoldoende bescherming biedt tegen stankhinder vanwege het gebruik van chloorbleekloog en formaline, de uitvoering van de ventilatie en de mogelijkheid van opslag van afval in de open lucht. Daarbij wijst hij er op dat de afstand van zijn woning tot de inrichting minder bedraagt dan 50 meter, zoals verweerder meent. 2.5.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat gelet op de afstand tussen de inrichting en de dichtstbijzijnde woning geurhinder niet is te verwachten. 2.5.2. Uit het deskundigenbericht leidt de Afdeling af dat de activiteiten die geur kunnen veroorzaken plaatsvinden op meer dan 80 meter van de dichtstbijzijnde woning. In de vergunningvoorschriften 2.1.2, 2.1.7, 2.1.8 en 3.2.1 zijn maatregelen en voorzieningen voorgeschreven om de geur van die activiteiten zoveel mogelijk te beperken. Gelet hierop en hetgeen is opgemerkt in het deskundigenbericht, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunning toereikend is ter beperking van geurhinder. Deze beroepsgrond faalt. 2.6. Appellant verwacht dat de waterafvoervoorziening ontoereikend zal zijn om het bedrijfsafvalwater en het hemelwater af te voeren, omdat er bij hevige regenval nu al capaciteitsproblemen zijn met de riolering die tot overstroming van het riool hebben geleid. Daar komt volgens hem bij dat de opgave van de hoeveelheid bedrijfsafvalwater in de aanvraag te laag is en de capaciteit van de bezinkput te gering. 2.6.1. In de voorschriften 4.1.1 tot en met 4.2.5 zijn voorschriften aan de vergunning verbonden terzake van afvalwater. 2.6.2. Uit voorschrift 4.1.2 volgt dat schoon hemelwater niet mag worden geloosd op het vuilwaterriool. In zoverre draagt de inrichting dan ook niet bij aan de overstroming van het riool als gevolg van hevige regenval. In de aanvraag staat vermeld dat 645 m3 huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en overig afvalwater per jaar op de riolering wordt geloosd. In het deskundigenbericht wordt opgemerkt dat deze hoeveelheid afvalwater niet ongebruikelijk is. De bezinkput voor de afvoer van afvalwater heeft een capaciteit van 12 m3. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat die capaciteit toereikend moet worden geacht voor een champignonkwekerij met drie kweekcellen. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van het deskundigenbericht. Gelet op het vorengaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften terzake van afvalwater toereikend zijn. Het beroep faalt in zoverre. 2.7. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover voorschriften ontbreken terzake van geluidhinder veroorzaakt door verkeer van en naar de inrichting. 2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel van 1 juli 2003, Wm 022/03, voorzover voorschriften ontbreken terzake van geluidhinder veroorzaakt door verkeer van en naar de inrichting; III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel op binnen 12 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond; V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 685,58, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Maasdriel te worden betaald aan appellant; VI. gelast dat de gemeente Maasdriel aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat. w.g. Oosting w.g. Van Driel Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004 414.