Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1017

Datum uitspraak2004-07-06
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404397/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 15 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven (hierna: het college) aan [vergunninghouder] met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van acht woningen en drie winkels op een perceel aan de Oud Bodegraafseweg/hoek Willemstraat te Bodegraven.


Uitspraak

200404397/2. Datum uitspraak: 6 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van: [verzoekers], onderscheidenlijk gevestigd en wonend te [plaats], tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 mei 2004 in het geding tussen: verzoekers en het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven. 1. Procesverloop Bij besluit van 15 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven (hierna: het college) aan [vergunninghouder] met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van acht woningen en drie winkels op een perceel aan de Oud Bodegraafseweg/hoek Willemstraat te Bodegraven. Bij besluit van 20 november 2003 heeft de raad van Bodegraven (hierna: de gemeenteraad) voor dit bouwplan met toepassing van voormelde bepaling vrijstelling verleend. Bij besluit van 21 januari 2004 heeft het college onder intrekking van zijn besluit van 15 april 2003 en met gebruikmaking van de door de gemeenteraad verleende vrijstelling opnieuw voor voormeld bouwplan bouwvergunning verleend. Bij besluit van 15 april 2004 heeft de raadsbestuurscommissie van Bodegraven naar aanleiding van het door verzoekers gemaakte bezwaar besloten de verleende vrijstelling te handhaven. Bij besluit van 21 april 2004 heeft het college naar aanleiding van het door verzoekers gemaakte bezwaar besloten de bouwvergunning te handhaven. Bij uitspraak van 17 mei 2004, verzonden op 18 mei 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het door verzoekers tegen de besluiten van 15 en 21 april 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 26 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2004, hoger beroep ingesteld. Tevens hebben zij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 juni 2004, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. J. Vijlbrief-van der Schaft, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door ing. J.E. Teunissen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder in persoon daar gehoord. 2. Overwegingen 2.1. In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en bouwvergunning niet mochten worden verleend. Daarbij gaat de Voorzitter er voorshands van uit dat alsnog vrijstelling kan worden verleend van het bepaalde in artikel 2.5.30 van de gemeentelijke bouwverordening. 2.2. Gelet hierop en op de betrokken belangen, dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen. 2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat. w.g. Lubberdink w.g. Boer Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2004 201.