
Jurisprudentie
AQ1016
Datum uitspraak2004-07-07
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404241/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404241/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 31 maart 2004, kenmerk 04/BW/HE, heeft verweerder krachtens artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) een nadere eis gesteld ten aanzien van de horeca-inrichting van verzoekster, gelegen aan de [locatie] te Utrecht.
Uitspraak
200404241/1.
Datum uitspraak: 7 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2004, kenmerk 04/BW/HE, heeft verweerder krachtens artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) een nadere eis gesteld ten aanzien van de horeca-inrichting van verzoekster, gelegen aan de [locatie] te Utrecht.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 7 mei 2004, bij de arrondissementsrechtbank te Utrecht ingekomen op 10 mei 2004, heeft verzoekster de voorzieningenrechter van de rechtbank te Utrecht verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze brief is met toepassing van artikel 8:81, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de Raad van State.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn door verweerder ook aan verzoekster gezonden.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 juni 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, voorzover hier van belang, kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot de in de bijlage behorende bij het Besluit opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, voorzover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven.
Ingevolge voorschrift 4.1.4, aanhef en onder a, b en d, van de bijlage behorende bij het Besluit, voorzover hier van belang, kan het bevoegd gezag, teneinde te bereiken dat aan voorschrift 1.1.1 wordt voldaan, een nadere eis stellen ten aanzien van het aanbrengen van technische voorzieningen binnen de inrichting, de periode van openstelling van de inrichting en gedragsregels die binnen de inrichting in acht moet worden genomen.
Ingevolge voorschrift 1.1.1 van de bijlage behorende bij het Besluit, voorzover hier van belang, geldt voor het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, dat het niveau op de gevel van woningen niet meer mag bedragen dan 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de volgende nadere eis opgelegd:
”Het is niet toegestaan een andere muziekinstallatie in de horeca-onderneming te gebruiken/in werking te hebben en/of aanwezig te hebben dan de installatie die is afgesteld met een verzegelde limiter op voor de dagperiode (07.00 uur tot 19.00 uur) op 87 dB(A) en de avondperiode (19.00 uur tot 23.00 uur) op 82 dB(A).
Ook dienen de deuren en ramen van de inrichting gedurende de tijd dat er muziekgeluid wordt geproduceerd gesloten te houden.
Uw inrichting dient dagelijks tussen 23.00 uur en 09.00 uur gesloten te zijn voor publiek.”
2.3. Verzoekster kan zich niet met de nadere eis verenigen en heeft gesteld dat zij onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Daartoe heeft zij betoogd dat het voor haar, met name door de beperking van de openingstijden, vrijwel onmogelijk is om een horecaonderneming te exploiteren. Zij heeft verder betoogd dat verweerder nooit met behulp van metingen heeft vastgesteld dat de geluidgrenswaarden uit de bijlage behorende bij het Besluit worden overschreden.
2.4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de nadere eis noodzakelijk is om geluidoverlast voor omwonenden te voorkomen. In het bestreden besluit heeft hij overwogen dat verzoekster een in het verleden voor de inrichting gestelde nadere eis meerdere malen heeft overtreden.
2.5. In het door verweerder overgelegde geluidrapport van 18 juni 1999 dat is opgesteld door het onderzoeksbureau Lichtveld Buis & Partners B.V., nummer R67 733A1.pv, (hierna: het geluidrapport) wordt verslag gedaan van geluidmetingen in en om de inrichting. Uit dit geluidrapport blijkt echter niet of de geluidgrenswaarden van voorschrift 1.1.1 uit de bijlage behorende bij het Besluit worden overschreden indien in de inrichting muziek wordt gespeeld buiten een limiter om. Nu verweerder ook overigens niet met behulp van metingen heeft vastgesteld dat de geluidgrenswaarden van voorschrift 1.1.1 uit de bijlage behorende bij het Besluit worden overschreden, is de Voorzitter van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig is voorbereid.
Gelet op het vorenstaande, en mede gelet op de omstandigheid dat de bij het bestreden besluit gestelde nadere eis onder meer sluiting van de inrichting voor de nachtperiode inhoudt, ziet de Voorzitter, na afweging van de betrokken belangen, aanleiding om een na te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 31 maart 2004, kenmerk 04/BW/HE;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welke bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Utrecht te worden betaald aan verzoekster;
III. gelast dat de gemeente Utrecht aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis w.g. Van Hardeveld
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2004
312-431.