Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1015

Datum uitspraak2004-07-07
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404229/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 6 april 2004, kenmerk DGWM/2004/4727, heeft verweerder krachtens de Grondwaterwet aan de gemeente Ridderkerk een vergunning verleend voor het onttrekken en retourneren van maximaal 130.000 m3 grondwater per jaar. Deze onttrekking en retournering dienen voor de koude- en warmteopslag ten behoeve van de klimaatbeheersing voor het gemeentehuis gelegen aan het Koningsplein te Ridderkerk, kadastraal bekend gemeente Ridderkerk, sectie A. nummers 08555 en 08605. Dit besluit is op 13 april 2004 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200404229/2. Datum uitspraak: 7 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: de naamloze vennootschap "Hydron Zuid-Holland N.V.", gevestigd te Gouda, verzoekster, en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 6 april 2004, kenmerk DGWM/2004/4727, heeft verweerder krachtens de Grondwaterwet aan de gemeente Ridderkerk een vergunning verleend voor het onttrekken en retourneren van maximaal 130.000 m3 grondwater per jaar. Deze onttrekking en retournering dienen voor de koude- en warmteopslag ten behoeve van de klimaatbeheersing voor het gemeentehuis gelegen aan het Koningsplein te Ridderkerk, kadastraal bekend gemeente Ridderkerk, sectie A. nummers 08555 en 08605. Dit besluit is op 13 april 2004 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 24 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2004, beroep ingesteld. Bij brief van 24 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 juni 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. R.C. van Wamel, advocaat te Dordrecht, R.J. Vogel, H. Ardesch en H. Timmer, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door L.A. Aben en ing. C.M. Langemeijer, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is gemeente Ridderkerk, vertegenwoordigd door mr. J.H.A.M. Scheiffers, advocaat te Rotterdam, A. Preesman, ambtenaar van de gemeente, ir. W.J. Huis in ’t Veld, ing. A.J. van Basten en ir. M.J.B. Koenders, allen gemachtigden, daar gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. Verweerder en vergunninghoudster hebben gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is. Ingevolge artikel 43 van de Grondwaterwet in samenhang gelezen met artikel 8.6 van de Wet milieubeheer alsmede artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door: a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit; b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit; c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht; d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Verzoekster hebben geen bedenkingen ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Ten betoge dat haar beroep niettemin ontvankelijk is, heeft verzoekster gesteld dat het bestreden besluit tekstuele wijzigingen bevat ten opzichte van het ontwerp daarvan. Artikel 20.6, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer strekt ertoe een beroepsmogelijkheid te bieden aan degenen die zich konden verenigen met het ontwerp van het besluit en om die reden daartegen geen bedenkingen hebben ingebracht, doch – gelet op de in het definitieve besluit ten opzichte van het ontwerp aangebrachte wijzigingen – in een nadeliger positie zijn komen te verkeren en zich daarom niet kunnen verenigen met het definitieve besluit. De Voorzitter stelt vast dat het bestreden besluit tekstueel enigszins is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp daarvan. De wijziging bevat echter geen aanscherping van het bestreden besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan. Hierdoor is verzoekster niet in een nadeliger positie komen te verkeren. De Voorzitter acht het aannemelijk dat verzoekster door de Afdeling daarom niet op grond van artikel 20.6, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer in haar beroep zal worden ontvangen. Verder is het bepaalde onder b van het tweede lid hier niet van toepassing. Voorts betoogt verzoekster dat het niet inbrengen van bedenkingen ten aanzien van het ontwerp van het besluit haar redelijkerwijs niet kan worden verweten. Zij voert in dat kader aan dat zij door verweerder niet in kennis is gesteld van de terinzagelegging van het ontwerp van het besluit. Dit terwijl verweerder haar inziens daartoe wel was verplicht. De Voorzitter overweegt dat het in beginsel tot de eigen verantwoordelijkheid van verzoekster behoort om op de hoogte te blijven van het verloop van de procedure. Dit beginsel kan uitzondering lijden indien verzoekster er gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat hij persoonlijk zou worden geïnformeerd over de terinzagelegging van het ontwerp-besluit. Van een dergelijke situatie blijkt uit de stukken niet. Verder houdt de Voorzitter het er op grond van het verhandelde ter zitting voor dat, anders dan verzoekster stelt, verweerder haar terzake onverplicht heeft ingelicht door een afschrift van het ontwerp van het besluit aan haar toe te zenden. Voorzover verzoekster in dat kader nog betoogt dat zij in de gelegenheid had moeten worden gesteld tot een gedachtewisseling over het ontwerp van het besluit en tot het mondeling indienen van bedenkingen daartegen, merkt de Voorzitter op dat artikel 3:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht met zich brengt dat verweerder slechts desgevraagd daartoe verzoekster in de gelegenheid had moeten stellen. Verzoekster heeft daar blijkens de stukken niet om verzocht en het verhandelde ter zitting geeft de Voorzitter geen aanknopingspunten voor het bestaan van een dergelijk verzoek. Gelet op het bovenstaande overweegt de Voorzitter dat verzoekster niet redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. De Voorzitter is dan ook van oordeel dat het aannemelijk is dat de Afdeling geen aanleiding zal zien om het niet inbrengen van bedenkingen in dit geval op grond van artikel 20.6, tweede lid, aanhef en onder d, verschoonbaar te achten. Gelet op het bovenstaande acht de Voorzitter het aannemelijk dat de Afdeling het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren. 2.3. De Voorzitter ziet op grond van het vorenstaande en na afweging van de betrokken belangen geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat. w.g. Boll w.g. Melse Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2004 191-375.