Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1005

Datum uitspraak2004-07-07
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404161/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 2 april 2004, kenmerk MPM1326/MW04.5067, heeft verweerder geweigerd de melding van 25 februari 2004 van verzoekster in de zin van artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer inzake de verandering van haar inrichting gelegen aan de [locatie] te [plaats], te accepteren.


Uitspraak

200404161/1. Datum uitspraak: 7 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekster], gevestigd te [plaats], en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 2 april 2004, kenmerk MPM1326/MW04.5067, heeft verweerder geweigerd de melding van 25 februari 2004 van verzoekster in de zin van artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer inzake de verandering van haar inrichting gelegen aan de [locatie] te [plaats], te accepteren. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Bij brief van 18 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 juni 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. H.A.H.M. Albrecht, advocaat te Bladel, en [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door P.W.Th. Rosendaal en ing. A.J. Willemsen, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Bij besluit van 23 juni 1998, kenmerk MW96.53126-6093007, is krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning in de zin van artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend. 2.2. De bij brief van 23 februari 2004 gedane melding ziet onder meer op het uitbreiden van het in werking zijn van de metaaldraaierij van 5 dagen in de week van 08.00 tot 16.30 uur naar 6 dagen in de week van 07.00 uur tot 23.00 uur. Voorts zijn daarnaast in het akoestisch rapport van 13 februari 2004, kenmerk 03.224.R02, van Schoonderbeek en Partners advies B.V., welke onderdeel uitmaakt van de melding, enkele veranderingen met betrekking tot het in werking zijn van de inrichting opgenomen. Deze veranderingen betreffen onder meer het vervangen van twee diesel vorkheftrucks door één LPG-vorkheftruck. 2.3. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder vergunning een inrichting te veranderen of de werking daarvan te veranderen. Ingevolge artikel 8.1, derde lid, van de Wet milieubeheer geldt dit verbod niet voor veranderingen van de inrichting die in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning. Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat: a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend; b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25. 2.4. Verzoekster voert aan dat de melding ten onrechte niet is geaccepteerd. Zij betoogt in dat kader onder meer dat blijkens het bij de melding gevoegde akoestische rapport de desbetreffende veranderingen niet zullen leiden tot andere dan wel grotere nadelige gevolgen voor het milieu. 2.4.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de melding terecht is geweigerd, nu de melding en het daarbij gevoegd akoestische rapport ten aanzien van de uitbreiding van de bedrijfstijden een onvoldoende representatief beeld geeft van de te verwachten activiteiten in de avondperiode en de mogelijke daaruit voortvloeiende grotere negatieve akoestische gevolgen die de inrichting ingevolge de vigerende vergunning mag veroorzaken. Zij wijst in dat kader onder meer op het feit dat in dit rapport ervan uit wordt gegaan dat de roldeuren in de avondperiode niet geopend zullen zijn. Dit acht hij onwaarschijnlijk, nu deze blijkens de onderliggende vergunning en daarbij behorende stukken, zij het voor beperkte duur, in de avondperiode geopend mogen zijn. Daarnaast acht hij het onwaarschijnlijk dat gedurende de avondperiode niet gereden zal worden met vorkheftrucks en vrachtwagens, nu dit een onderdeel uitmaakt van de normale bedrijfsvoering, aldus verweerder. Verder brengt verweerder naar voren dat op het terrein van de inrichting twee diesel vorkheftrucks worden vervangen door één LPG-vorkheftruck. Daar ter zake geen voorschriften aan de vigerende vergunning zijn verbonden, leidt deze verandering tot andere nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting mag veroorzaken, aldus verweerder. 2.5. De Voorzitter stelt ten aanzien van de vervanging van twee dieselheftrucks door één LPG-vorkheftruck dat uit de stukken blijkt dat in de onderhavige inrichting niet eerder één LPG-vorkheftruck in werking was en dat dit ook niet was vergund. Aan de milieuvergunning van 1998 zijn gelet hierop dan ook geen voorschriften ter beperking van onder meer het externe veiligheidsrisico verbonden. Gelet hierop leidt deze verandering tot andere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Reeds hierom heeft verweerder naar het oordeel van de Voorzitter de gedane melding terecht geweigerd. Voorts merkt de Voorzitter ten aanzien van de akoestische gevolgen van de uitbreiding van de bedrijfstijden het volgende op. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Voorzitter met verweerder van oordeel dat het twijfelachtig is of de gehanteerde uitgangspunten in het akoestisch rapport representatief kunnen worden geacht voor de bedrijfsvoering in de avondperiode en het derhalve onduidelijk is of deze verandering niet leidt tot grotere nadelige akoestische gevolgen die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Het verzoek treft geen doel. 2.6. De Voorzitter ziet op grond van het vorenstaande en na afweging van de betrokken belangen geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen. 2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat. w.g. Boll w.g. Melse Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2004 191-375.