
Jurisprudentie
AQ1004
Datum uitspraak2004-07-07
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404157/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404157/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 19 maart 2004, kenmerk MPM546/MW04.2324, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd vanwege overtreding van de in het besluit nader genoemde aan de revisievergunning van 23 juni 1998, kenmerk MW96.53126-6093007, verbonden voorschriften 1.24, 3.1, 9.2 en 9.6 ten aanzien van de inrichting van verzoekster ten behoeve van een scheepswerf en een metaaldraaierij gelegen aan [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […].
Uitspraak
200404157/1.
Datum uitspraak: 7 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2004, kenmerk MPM546/MW04.2324, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd vanwege overtreding van de in het besluit nader genoemde aan de revisievergunning van 23 juni 1998, kenmerk MW96.53126-6093007, verbonden voorschriften 1.24, 3.1, 9.2 en 9.6 ten aanzien van de inrichting van verzoekster ten behoeve van een scheepswerf en een metaaldraaierij gelegen aan [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […].
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 18 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 mei 2004.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 juni 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. H.A.H.M. Albrecht, advocaat te Bladel, en [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. O. Sijsma-Zorlu en ing. A. Stienstra, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het verzoek richt zich tegen de in het besluit van 19 maart 2004 opgelegde last onder dwangsom terzake het niet naleven van de voorschriften 1.24, 3.1, 9.2 en 9.6. Terzake het niet naleven van de voorschriften 1.24, 9.2 en 9.6 heeft verzoekster ter zitting gesteld dat deze voorschriften thans worden nageleefd. Verweerder heeft dit ter zitting bevestigd. De opgelegde last zal in zoverre niet leiden tot het verbeuren van de dwangsom. Gelet hierop is dan ook in zoverre geen spoedeisend belang aanwezig bij een beoordeling van het verzoek.
2.2. Ingevolge artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet is het provinciaal bestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.
Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
2.3. Verzoekster voert, kort weergegeven, aan dat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen van de last onder dwangsom, nu voorschrift 3.1 behorende bij de vergunning van 23 juni 1998 door haar wordt nageleefd.
2.4. Ingevolge voorschrift 3.1 mag de inrichting uitsluitend van 08.00 uur tot 21.00 uur in werking zijn, conform de representatieve bedrijfstijden van de diverse werkzaamheden, zoals vermeld in tabel 1 van hoofdstuk 2 van de akoestisch rapportage, inclusief de aanvulling van 12 mei 1997, kenmerk C.96.0431/006/KO, hierop inzake uitbreiding van de bedrijfstijden. Incidenteel, op minder dan twaalf dagen per jaar mogen in de avondperiode van 19.00 uur tot 21.00 uur, de in tabel 1 vermelde “incidentele werkzaamheden” uitgevoerd worden. De voornoemde incidentele werkzaamheden in de avondperiode moeten worden geregistreerd. Deze registratie moet op verzoek direct ter inzage worden gegeven aan de controlerend ambtenaar of de directeur van de dienst Milieu en Water.
2.5. De Voorzitter stelt vast dat blijkens de bij de vergunningaanvraag van 12 mei 1997 behorende akoestische rapportage van 29 april 1997 van dgmr raadgevend ingenieurs B.V. met kenmerk C.96.0431.B en de aanvulling daarop van 12 mei 1997 voor de metaaldraaierij, behoudens incidentele werkzaamheden, werktijden zijn vergund van 08.00 tot 16.30 uur van maandag tot en met vrijdag. De vergunningaanvraag maakt onderdeel uit van het besluit van 23 juni 1998. De metaaldraaierij was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit structureel in werking van 07.00 tot 23.00 uur van maandag tot en met zaterdag. Van incidentele werkzaamheden als genoemd in tabel 1 van het akoestisch rapport was derhalve geen sprake. Dit onderdeel van de inrichting was destijds derhalve niet conform de daarvoor representatieve bedrijfstijden in werking. Gelet hierop was verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom.
Het verzoek faalt in zoverre.
2.6. Verzoekster betoogt kort weergegeven ten aanzien van de structurele overschrijding van de werktijden dat een melding in de zin van artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer is gedaan en derhalve concreet zicht op legalisering bestaat. Tevens dienen volgens verzoekster haar maatschappelijke en economische belangen in dit geval zwaarder te wegen dan het belang van de bescherming van het milieu. Een oplegging van een last onder dwangsom is daarom niet gerechtvaardigd, aldus verzoekster.
2.6.1. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Handhavend optreden kan daarnaast zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.6.2. Op 23 februari 2004 heeft verzoekster een melding in de zin van artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer gedaan. Verweerder heeft terzake in het bestreden besluit naar voren gebracht dat verzoekster op 12 september 2003 een conceptmelding heeft ingediend met betrekking tot de uitbreiding van de bedrijfstijden van de metaaldraaierij. Naar aanleiding van het daarbij gevoegde akoestische rapport heeft verweerder om aanvullende informatie verzocht. Dit heeft geresulteerd in de melding van 23 februari 2004. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was ten aanzien van deze gemelde veranderingen geen verklaring afgegeven als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer. Gebleken is dat verweerder destijds in de melding en het daarbij gevoegde akoestische rapport onvoldoende aanwijzing heeft gezien om in de onderhavige situatie een concreet zicht op legalisatie aanwezig te achten. Verweerder acht dat standpunt nog onverkort juist, ook naar de situatie ten tijde van de mondelinge behandeling van het onderhavige verzoek. De Voorzitter is op grond van de stukken van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dat standpunt heeft kunnen stellen.
Voorzover verzoekster wijst op bedrijfseconomische en maatschappelijke nadelige gevolgen, overweegt de Voorzitter dat verzoekster deze op onvoldoende wijze heeft geconcretiseerd. Daarbij komt dat verzoekster door het verrichten van deze activiteiten zelf het risico heeft genomen dat dit bestuurlijke handhavingsmiddel zou worden toegepast.
Gelet op het vorenstaande heeft verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, waaronder het belang van de bescherming van het milieu, in redelijkheid kunnen besluiten tot het toepassen van de opgelegde last onder dwangsom.
2.7. De Voorzitter ziet op grond van het vorenstaande en na afweging van de betrokken belangen geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll w.g. Melse
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2004
191-375.