Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1003

Datum uitspraak2004-07-08
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200403996/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 22 maart 2004, kenmerk DGWM/2004/4279, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [verzoekster sub 2] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het opslaan, overslaan en bewerken van oud ijzer, gereinigde oude olietanks, oude metalen, autowrakken, kabelafval, oud papier en loodaccu's op het perceel [locatie 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 5 april 2004 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200403996/2. Datum uitspraak: 8 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: 1. de vereniging "Bewonersvereniging Stromenwijk", [verzoeker sub 1A] en anderen, gevestigd en wonend te [plaats], 2. [verzoekster sub 2], gevestigd te [plaats], en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 22 maart 2004, kenmerk DGWM/2004/4279, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [verzoekster sub 2] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het opslaan, overslaan en bewerken van oud ijzer, gereinigde oude olietanks, oude metalen, autowrakken, kabelafval, oud papier en loodaccu's op het perceel [locatie 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 5 april 2004 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekers sub 1 bij brief van 12 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2004, en verzoekster sub 2 bij brief van 17 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2004, beroep ingesteld. Verzoekster sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 7 juni 2004. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben verzoekers sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 17 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2004, heeft verzoekster sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 29 juni 2004, waar verzoekers sub 1, vertegenwoordigd door [verzoeker 1A], gemachtigde, verzoekster sub 2, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. K.J. Alblas, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. Het geschil betreft in het bijzonder de aan de vergunning verbonden voorschriften ter beperking van geluidhinder. In voorschrift 9.3 is onder meer bepaald dat het maximale geluidniveau onder de representatieve bedrijfssituatie en onder de bijzondere bedrijfssituatie met los- en laadactiviteiten op de kade ter hoogte van de locatie ’s Molenaarspad in de dagperiode de waarde van 70 dB(A) niet mag overschrijden. In voorschrift 9.4 is onder meer bepaald dat het maximale geluidniveau onder de bijzondere bedrijfssituatie tijdens het behandelen van ‘zwaar schroot’ ter hoogte van de hiervoor vermelde locatie de waarde van 75 dB(A) niet mag overschrijden. In voorschrift 9.7 is bepaald dat vrachtwagens met schroot niet los mogen worden gestort. 2.2.1. Verzoekers sub 1 stellen – kort samengevat – dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden te hoog zijn en dat deze niet kunnen worden nageleefd. Zij verzoeken om die reden om schorsing van de gehele vergunning. Verzoekster sub 2 verzoekt om schorsing van voorschriften 9.3 voorzover dat betrekking heeft op het maximale geluidniveau voor de locatie ’s [locatie 2] te [plaats] en om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat ter plaatse van deze woning voor het maximaal geluidniveau een waarde van 72 dB(A) geldt. Voorts verzoekt zij om schorsing van voorschrift 9.4 voorzover dat betrekking heeft op het maximale geluidniveau in de bijzondere bedrijfssituatie voor dezelfde woning en om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat ter plaatse van deze woning een waarde van 82 dB(A) geldt. Ten slotte verzoekt zij om schorsing van voorschrift 9.7. Daartoe voert zij onder meer aan dat deze voorschriften blijkens het bij de aanvraag gevoegde geluidrapport door haar niet kunnen worden nageleefd. In dit verband voert zij aan dat niet is gebleken dat met de in voorschrift 9.7 voorgeschreven werkwijze aan de in voorschrift 9.3 opgenomen grenswaarden kan worden voldaan omdat het leeghalen van vrachtwagens met de kraan ook hoge geluidpieken kan veroorzaken. Verder is een dergelijke werkwijze om organisatorische en logistieke redenen niet mogelijk, aldus verzoekster sub 2. 2.2.2. Verweerder heeft ter zitting onder meer betoogd dat de voorgeschreven geluidgrenswaarden zijn gebaseerd op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Hij stelt dat met hogere grenswaarden geen sprake meer is van een toereikend beschermingsniveau. Voorts voert verweerder aan dat naleving van deze grenswaarden mogelijk is indien vrachtwagens niet meer worden leeggestort maar met de kraan worden leeggehaald. 2.2.3. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, is naar het oordeel van de Voorzitter aan gerede twijfel onderhevig of de bij het bestreden besluit voorgeschreven geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd. Dit vergt evenwel nader onderzoek waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. Verder kan de Afdeling in de bodemprocedure beoordelen of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voormelde geluidgrenswaarden toereikend zijn. In afwachting van dit onderzoek, ziet de Voorzitter voldoende aanleiding het verzoek van verzoekers sub 1 toe te wijzen. Hieruit volgt dat het verzoek van verzoekster sub 2 moet worden afgewezen. De Voorzitter acht onder deze omstandigheden een spoedige behandeling van de hoofdzaak aangewezen. 2.3. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van verzoekers sub 1 te worden veroordeeld. Voor zover door verzoekers sub 2 is verzocht verweerder te veroordelen in de kosten van een deskundigenrapport, wordt dit verzoek afgewezen, aangezien hiervan niet is gebleken. Voor een proceskostenveroordeling ten behoeve van verzoekster sub 2 bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 22 maart 2004, kenmerk DGWM/2004/4279; II. wijst het verzoek van verzoekster sub 2 af; III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door verzoekers sub 1 in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 108,49; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan verzoekers sub 1; IV. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekers sub 1 het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D. Trippert-van Gemeren, ambtenaar van Staat. w.g. Hirsch Ballin w.g. Trippert-van Gemeren Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2004 289.