Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ0958

Datum uitspraak2004-07-06
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200402141/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 12 augustus 2003 heeft de gemeenteraad van Wierden het bestemmingsplan "Buitengebied ’85, gedeeltelijke herziening uitbreiding vakantieoord De Kiekebelt" vastgesteld.


Uitspraak

200402141/1. Datum uitspraak: 6 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoeker], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 12 augustus 2003 heeft de gemeenteraad van Wierden het bestemmingsplan "Buitengebied ’85, gedeeltelijke herziening uitbreiding vakantieoord De Kiekebelt" vastgesteld. Bij besluit van 24 februari 2004, kenmerk RWB/2003/2666 heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan. Verzoeker heeft tegen dit besluit van verweerder beroep ingesteld bij brief van 16 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2004. Daarnaast heeft hij zich bij brief van 11 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2004, tot de Voorzitter gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 juni 2004, waar verzoeker in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. G. Rooks, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Wierden, vertegenwoordigd door ing. B.J.M. Beernink-Rouweler, ambtenaar van de gemeente, daar verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. Het plan voorziet in een aanpassing van de bestemmingsplanvoorschriften die betrekking hebben op het vakantieoord “De Kiekebelt” aan de Haarboersweg te Hoge Hexel. Het plan houdt een herziening in van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied ’85, uitbreiding vakantieoord De Kiekebelt" in die zin dat het toegestane aantal recreatiewoningen is verlaagd van ten hoogste 117 naar ten hoogste 101 en de toegestane inhoud van een recreatiewoning is vergroot van ten hoogste 200 m3 naar ten hoogste 250 m3. Het plan kent aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegd toe om voor ten hoogste 15 recreatiewoningen vrijstelling te verlenen voor een inhoud van ten hoogste 300 m3. 2.3. Verzoeker stelt dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Hij voert aan dat het plan zal leiden tot onevenredige aantasting van het bosgebied. Voorts stelt hij dat ten onrechte onderzoek naar de flora en fauna in het plangebied en de haalbaarheid van het plan achterwege is gelaten. 2.4. Niet in geschil is dat het college van burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 50, vierde lid van de Woningwet vergunning heeft verleend voor de bouw van 25 recreatiewoningen op gronden binnen het plangebied alsmede dat tegen dit besluit bezwaar is gemaakt. Ter zitting is verklaard dat in het kader van de nog te nemen beslissing op het bezwaarschrift tegen deze bouwvergunning, onderzoek is gedaan naar de in het plangebied voorkomende flora en fauna en dat voor de bouw van de recreatiewoningen een ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en Faunawet noodzakelijk is. 2.5. De Voorzitter overweegt dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder heeft bezien in hoeverre er op voorhand in redelijkheid van kan worden uitgegaan dat een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet, indien vereist, kan worden verleend. Nu echter in het kader van de bouwvergunningprocedure de vraag of deze ontheffing kan worden verleend reeds aan de orde is, ziet de Voorzitter geen aanleiding om om die reden over te gaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. In hetgeen verzoeker verder aanvoert ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het plan niet heeft kunnen goedkeuren. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat. w.g. Bartel w.g. De Rooy Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2004 370.