
Jurisprudentie
AQ0941
Datum uitspraak2004-07-09
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/5887 AOW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/5887 AOW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Pensioen krachtens de AOW op 10% gesteld van het maximale pensioen van een gehuwde. Niet verzekerd voor de volksverzekeringen op grond van de opeenvolgende Koninklijke Besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/5887 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] wonende te [woonplaats], Kroatië, appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2003, nummer AWB 02/4027 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.
Appellant heeft de Raad nog een nader stuk doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 juni 2004, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant, die is geboren op 16 april 1934, heeft in Nederland werkzaamheden verricht gedurende de periode van 8 mei 1963 tot 14 maart 1966. Op 11 augustus 1967 is appellant met behoud van zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, teruggekeerd naar Kroatië. Appellant heeft deze uitkering ontvangen tot zijn 65ste jaar.
Bij besluit van 5 januari 2000 heeft gedaagde met ingang van 1 april 1999 aan appellant een pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van 10% van het maximale pensioen voor een gehuwde, overwegende dat appellant gedurende de periode 1 januari 1957 tot en met 7 maart 1963 en van 11 augustus 1967 tot en met 15 april 1999 niet verzekerd is geweest voor de volksverzekeringen.
In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat hij wel vanaf 11 augustus 1967 verzekerd is geweest voor de AOW omdat hij een uitkering ingevolge de WAO ontving waarop premies volksverzekeringen zijn ingehouden.
Gedaagde heeft bij het bestreden besluit van 15 oktober 2002 het besluit van 5 januari 2000 gehandhaafd, waarbij appellant is medegedeeld dat hij weliswaar een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% heeft ontvangen, doch dat hij sedert zijn remigratie naar Kroatië op grond van deze uitkering niet verzekerd is geweest voor de AOW, aangezien hij vanaf 23 november 1966 een soortgelijke uitkering ontving uit Joegoslavië, waardoor appellant op grond van de opeenvolgende Koninklijke Besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden niet verzekerd was voor de volksverzekeringen.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het standpunt van gedaagde onderschreven. De rechtbank heeft voorts nog overwogen dat gedaagde dient te onderzoeken welke gevolgen het voor appellants pensioen zal hebben indien het bedrag aan ingehouden premies op zijn WAO-uitkering dat niet door de belastingdienst wordt gerestitueerd, als betalingen voor een vrijwillige verzekering voor de volksverzekeringen zal worden aangemerkt.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde terecht het pensioen van appellant krachtens de AOW op 10% heeft gesteld van het maximale pensioen van een gehuwde.
Met betrekking tot het door gedaagde in hoger beroep overgelegde besluit van 9 februari 2004, waarin aan appellant is medegedeeld dat hij niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering merkt de Raad nog het volgende op.
Ter zitting van de Raad is gebleken dat het door appellant tegen dit besluit ingestelde bezwaar nog in behandeling is bij gedaagde. Desgevraagd heeft de gemachtigde van gedaagde aangegeven dat indien appellant alsnog in de gelegenheid wordt gesteld zich over een bepaalde periode vrijwillig te verzekeren dit -mede in het licht van de jurisprudentie- zal moeten leiden tot het in aanmerking nemen van die verzekerde periode vanaf de datum van toekenning van het AOW-pensioen. De Raad neemt aan dat gedaagde het ter zitting gestelde in zijn verdere beoordeling zal betrekken.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Uit vorenstaande vloeit voort dat dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2004.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.