
Jurisprudentie
AQ0938
Datum uitspraak2004-06-01
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/2544 ALGEM
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/2544 ALGEM
Statusgepubliceerd
Indicatie
Keeperstrainer met managementovereenkomst; gezagsrelatie.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/2544 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[naam vereniging], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 11 december 2000 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 14 maart 2000, waarin is bepaald dat de keeperstrainer J. [naam trainer] in de periode 1995-1999 verzekeringsplichtig is te achten in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten.
De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 25 maart 2002, reg.nr. 01/144 ALGEM, het namens gedaagde tegen het besluit van 11 december 2001 ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 8 juli 2002 aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde is een op 10 september 2002 gedateerd verweerschrift bij de Raad ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 mei 2004, waar partijen vanwege de Raad zijn opgeroepen. Appellant heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. R.J. Bilderbeek, werkzaam bij Uwv Cadans. Gedaagde is daar verschenen bij gemachtigde drs. M.A.B. Speetjens, belastingadviseur.
II. MOTIVERING
Voormalig voetbalkeeper op topniveau J. [naam trainer] ([naam trainer]), enig aandeelhouder van [naam B.V.], is vanaf 1 juli 1995 tot medio 1999 op basis van een managementovereenkomst als keeperstrainer voor drie halve dagen per week bij de voetbalvereniging [naam vereniging] werkzaam geweest. [naam trainer] zelf heeft zich daarvoor contractueel verbonden zijn volledige kennis, arbeid en ervaring ter beschikking te stellen tegen een vaste maandvergoeding met reiskosten. Het was [naam vereniging] blijkens feitelijke uitvoering ook bij uitstek te doen om [naam trainer] zelf. Laatstgenoemde heeft zich dan ook als zodanig slechts bij hoge uitzondering eenmalig doen vervangen.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, in overeenstemming met het standpunt van gedaagde in het bestreden besluit, het bestaan van de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting door [naam trainer] tegen het verkrijgen van loon op goede gronden aangenomen.
Het voorhanden zijn van deze vereisten voor het aanwezig zijn van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen [naam trainer] en gedaagde, zijn door partijen in hoger beroep niet langer bestreden en worden door de Raad ook als vaststaande aangenomen.
Bij bedoelde uitspraak heeft de rechtbank evenwel de in hoger beroep partijen verdeeld houdende vraag of er sprake is van een gezagsrelatie tussen gedaagde en [naam trainer] in ontkennende zin beantwoord. De rechtbank heeft dit oordeel doen steunen hierop, dat, hoewel [naam vereniging] een commerciële instelling is, onvoldoende aannemelijk geworden is dat het bestuur van [naam vereniging]I - ook niet in de persoon van M. [naam manager] ([manager]), manager in voetbalzaken - opdrachten en aanwijzingen aan [naam trainer] heeft gegeven of kunnen geven, nu keeperstrainingen, anders dan reguliere trainingen voor de veldspelers, destijds een noviteit waren waarvoor [naam trainer] uitdrukkelijk “carte blanche” gegeven was en die hiervoor dan ook niet opgenomen was in het organisatorisch kader van gedaagde en geen verantwoording schuldig was.
In hoger beroep heeft appellant benadrukt dat het bij [naam vereniging] om een commerciële en professionele instelling met financiële en prestatieve belangen en een strakke organisatie gaat, dat het geven van trainingen een kerntaak van een profclub is, dat [naam trainer] juist was aangetrokken om de kwaliteit van de selectiekeepers te waarborgen en te verhogen en dat jegens de trainers zoals hem de bevoegdheid althans invloed heeft bestaan om in te grijpen ter bewaking van kwaliteit en continuïteit. Dat de te verrichten werkzaamheden in vrijheid bij uitvoering konden worden verricht, was inherent aan de uitoefening van zodanig specialisme. [naam trainer] was daarbij wel onder verantwoordelijkheid van de directeur technische zaken [manager] werkzaam, die zo nodig corrigerend kon optreden.
Daartegenover is namens gedaagde de volstrekte vrijheid en “carte blanche” van [naam trainer] bij de keeperstrainingen, slechts beperkt door minimale werkafspraken, benadrukt en is de positie van [manager] ten opzichte van [naam trainer] afgepaald als sociaal communicatief aanspreekpunt, onder bestrijding van ingrijpende bijsturende verantwoordelijkheden van eerstgenoemde.
Partijen hebben hun standpunten ter zitting van de Raad nader toegelicht, zonder dat hierbij wezenlijk andere gezichtspunten naar voren zijn gebracht.
De Raad overweegt ter zake van het geschilpunt van het al dan niet bestaan van een gezagsrelatie tussen gedaagde en [naam trainer] op grond van de stukken en het verhandelde te zijner zitting het volgende.
Uit de deel van het dossier uitmakende door het bestuur ondertekende schriftelijke verklaring van 29 november 1999, waaronder met name de directeur voetbalzaken [manager], blijkt uitdrukkelijk dat [naam trainer] rechtstreeks ressorteerde onder evengenoemde directeur voetbalzaken, zelf een oud-voetbalspeler, en dat de verantwoordelijkheid voor het functioneren van [naam trainer] als keeperstrainer ligt bij meergenoemde manager. Weliswaar maakte laatstgenoemde geen deel uit van de technische commissie van [naam vereniging] en zette hij zelf de trainingsschema’s op en stemde die af op de door hem te trainen keepers. Het ging daarbij echter om het jarenlang stelselmatig waarborgen en vergroten van het niveau van de te trainen keepers, die een hecht team moesten vormen met andere, door een in dienst staande (hoofd-)trainer getrainde veldspelers. In dit kader bezien, kan het in de verklaring vermelde bijpraten met hoofdtrainer en manager door [naam trainer] niet louter gezien worden als vrijblijvende communicatie doch moet zulks aangemerkt worden als een in het totale organisatorische kader van gedaagde ingepast - althans voorzover nodig mogelijkheid tot min of meer gestructureerd - overleg gekoppeld aan verantwoorde trainingsplanning ter gerede inschakeling en adequate kwaliteitshandhaving benevens verbetering van de onder zijn hoede staande keepers als specifieke veldspelers op een professioneel hoog niveau in teamverband. Ook overigens kan uit het buitendienstrapport van 20 december 1999 van J. Spapens opgemaakt worden dat er niveauafstemming plaatsvond met het oog op de wedstrijdschema’s met de hoofdtrainer. Uit eerderbedoelde verklaring blijkt ook nog hoe belangrijk het bereiken van een zekere consensus was tussen [naam trainer] en gedaagde, bij het ontbreken waarvan uiteindelijk de formele mogelijkheid van het opzeggen van het contract uitdrukkelijk is gestipuleerd. Dat het toezicht op [naam trainer] daarbij zeer beperkt was tot het toezien op sociaal communicatief aanvaardbaar opereren komt de Raad niet aannemelijk voor.
Ook [naam trainer] zelf heeft overigens meerbedoelde verklaring onderschreven, waar hij desgevraagd zelf in een ondertekende eigen verklaring van 20 december 1999 vermeldt kennis genomen te hebben van de verklaring van [naam vereniging] van 29 november 1999 en daaraan niets toe te voegen heeft. Bij die gelegenheid vermeldt hij overigens ook significant aansluitend op 1 juli 1999 als trainer bij een andere voetbalclub P.S.V. in loondienst te zijn getreden.
In het licht van het vorenstaande kan de Raad geen doorslaggevende betekenis hechten ter ontkenning van een gezagsrelatie aan de omstandigheid dat de taak van [naam trainer] destijds een noviteit was die door hem onvoorwaardelijk in volstrekte vrijheid kon worden uitgevoerd. Ook praktisch beschouwd, acht de Raad het ondenkbaar dat een professionele club als [naam vereniging], en inzonderheid manager [manager], [naam trainer] ongemoeid zijn gang zou laten gaan, indien de kwaliteitshandhaving en -bevordering van de keepers kennelijk niet - langer - aan de te stellen eisen binnen het raam van de teamniveaus zou voldoen. Dat zich zulks gezien de kunde van [naam trainer] nimmer metterdaad heeft voorgedaan, doet aan bestaande mogelijkheden tot een zekere mate van gezagsuitoefening in de vorm van minimaal klankbordfunctie en maximaal aangewezen (bij)sturing te beginnen met praktische werkafspraken over tijd en inhoud door het management en vervolgens ook het aanspreken op (tegenvallende) resultaten, en als uiterste onverhoopt middel contractsbeëindiging niet af.
Nu te dezen volgens de Raad terecht en op goede gronden ook het bestaan van een gezagsrelatie tussen gedaagde en [naam trainer] zowel op contractuele als praktische organisatorische gronden kan worden aangenomen, is er in casu sprake geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en daarmede verzekeringsplicht ten tijde in geding in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en slaagt naar het oordeel van de Raad het hoger beroep van appellant.
Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking en dient het inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond te worden verklaard.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn- Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2004.
(get.) B.J. van der Net
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls