
Jurisprudentie
AQ0929
Datum uitspraak2004-03-04
Datum gepubliceerd2004-08-26
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsZutphen
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 03/60841
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-08-26
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsZutphen
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 03/60841
Statusgepubliceerd
Indicatie
Niet tijdig beslissen / besluitmoratorium.
In september 2000 is het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift uit 1998 gegrond verklaard. Tegen het uitblijven van een nieuw besluit heeft eiser op 12 juni 2001 beroep ingesteld, waarna verweerder op 21 juni 2002 het bezwaar ongegrond verklaarde. Dit besluit heeft verweerder in september 2003 ingetrokken waarna eiser zijn beroep van 12 juni 2001 introk. Vervolgens heeft eiser op 21 november 2003 het beroep ingetrokken tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar uit 1998. De rechtbank overweegt dat het besluitmoratorium niet van toepassing is. De rechtbank oordeelt dat het laatste beroep niet onredelijk laat is ingediend. Verweerder moet binnen vier weken een nieuw besluit nemen onder verbeurte van een dwangsom. Beroep gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Zitting houdende te Zutphen
Reg.nr.: AWB 03/60841
UITSPRAAK
met toepassing van artikel 854 Awb in het geding tussen:
A,
geboren op [...] 1969,
van Iraakse nationaliteit,
eiser,
gemachtigde: mr. 1. Vreeken, advocaat te Zutphen,
en
DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,
verweerder.
1. Motivering
Verweerder heeft bij besluit van 19 oktober 1998, uitgereikt op 29 oktober 1998, de aanvraag van eiser (afkomstig uit Noord-Irak) om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf afgewezen.
Tegen het niet tijdig beslissen op het daartegen door eisers (toenmalige) gemachtigde bij brief van 5 november 1998 gemaakte bezwaar heeft eisers gemachtigde beroep ingesteld.
De rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, heeft bij uitspraak van 8 september 2000 (reg.nr.: AWB 00/6217 VRWET H) verweerder opgedragen binnen 6 weken na de dag van verzending van de uitspraak (8 september 2000) een besluit op eisers bezwaarschrift te nemen.
Tegen het nog steeds uitblijven van een besluit op het bezwaar heeft eisers gemachtigde op 12 juni 2001 (wederom) beroep in gesteld. Vervolgens heeft verweerder bij zijn besluit van 21 juni 2001 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Bij brief van 11 september 2003 heeft verweerder zijn besluit van 21 juni 2001 ingetrokken en eiser medegedeeld dat opnieuw op zijn bezwaar zal worden beslist.
Daarop is het namens eiser ingestelde beroep van 12 juni 2001 bij brief van 12 september 2003 ingetrokken.
Eisers gemachtigde heeft vervolgens bij brief van 21 november 2003 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser. Daarbij is verzocht een termijn te stellen waarbinnen verweerder een beslissing dient te nemen op het bezwaarschrift, bij gebreke waarvan verweerder een nader te bepalen dwangsom verbeurt.
Allereerst is de rechtbank van oordeel dat het, voor asielzoekers afkomstig uit Noord-Irak, ingestelde besluitmoratorium, zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 24 maart 2003 (en verlengd op 27 juni 2003, gepubliceerd in de Staatscourant van 30 juni 2003), de beslistermijn in het onderhavige geval niet heeft doen verlengen, nu deze termijn toen reeds was
verstreken.
Vaststaat dat verweerder reeds ten tijde van zijn inmiddels ingetrokken besluit van 21 juni 2001 niet tijdig had voldaan aan de door de rechtbank in haar uitspraak van 8 september 2000 gegeven opdracht. Voorts staat vast dat verweerder ook ten tijde van de indiening van het thans aanhangige beroep nog niet had beslist op eisers bezwaarschrift (in dit verband komt aan verweerders besluit van 21 juni 2001 geen betekenis meer toe aangezien dat besluit is ingetrokken).
Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van eiser. Gelet op artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb staat tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar beroep open op de rechtbank.
Ingevolge artikel 6:12 van de Awb, voor zover hier van belang, is het beroep niet aan een termijn gebonden indien het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het beroepschrift onredelijk laat
is ingediend.
De rechtbank is van oordeel dat voor het antwoord op de vraag of het beroepschrift onredelijk laat is ingediend niet kan worden voorbij gezien aan het feit dat gedurende de periode van 21 juni 2001 tot en met 11 september 2003 een besluit van verweerder op eisers bezwaarschrift heeft gegolden, waartegen ook beroep aanhangig is geweest.
Voorts acht de rechtbank van belang dat verweerder in zijn brief van 11 september 2003, waarbij hij zijn besluit van 21 juni 2001 heeft ingetrokken, nieuwe besluitvorming in het vooruitzicht heeft gesteld, zodat eiser er op heeft mogen vertrouwen dat die besluitvorming ook daadwerkelijk zou plaatsvinden. Verweerder heeft evenwel tot op heden geen besluitvorming
gerealiseerd.
De rechtbank is voorts gebleken dat eiser niet onnodig lang heeft gewacht met het opnieuw instellen van beroep tegen het uitblijven van de toegezegde besluitvorming.
Onder deze omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat het beroepschrift van eiser van 21 november 2003 niet onredelijk laat is ingediend.
Het thans aanhangige beroep van eiser is derhalve kennelijk gegrond. De rechtbank ziet in het onderhavige geval aanleiding om, naast het stellen van een nieuwe termijn voor het nemen van een besluit, verweerder een dwangsom op te leggen.
De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 1 punt toe, waarbij een wegingsfactor 0,25 wordt gehanteerd.
2. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van eiser;
- bepaalt dat verweerder uiterlijk binnen 4 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een beslissing op het bezwaar van eiser bekendmaakt;
- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser een dwangsom van € 250,-- per dag verbeurt, voor iedere dag dat verweerder na de hiervoor door de rechtbank bepaalde beslistermijn in gebreke blijft te voldoen aan deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 80,50, ter zake van verleende rechtsbijstand, te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de rechtbank door storting op bankrekeningnummer 1923.25922 ten name van arrondissement DS 547 Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak genoemde registratienummer.
Aldus gegeven door mr. E.G. de Jong en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2004 tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Bunt als griffier.
Afschrift verzonden op: 4 maart 2004
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij deze rechtbank, sector bestuursrecht, afdeling vreemdelingenrecht, Postbus 362, 7200 AJ Zutphen. De indiener van het verzetschrift kan vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Vraagt hij dat niet dan kan van het horen worden
afgezien. Tegen een uitspraak op verzet kan geen hoger beroep worden ingesteld.