
Jurisprudentie
AQ0924
Datum uitspraak2004-05-13
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers01/3214 ALGEM
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers01/3214 ALGEM
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bovenmatige reiskostenvergoedingen; nadere vaststelling premieloon terzake van betaalde vaste reiskostenvergoedingen.
Uitspraak
01/3214 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[naam stichting] gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 23 juli 2001 aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Breda onder dagtekening 4 mei 2001 tussen partijen onder nummer 99/2256 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij brief van 13 augustus 2001 is van de kant van gedaagde een verweerschrift ingediend.
Desverzocht heeft appellant bij brief van 1 december 2003 een vanwege de Raad gestelde vraag beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 maart 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F. Verhaart, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde, na voorafgaande kennisgeving, niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 16 juni 2000 gedaagdes bezwaar tegen de (nadere) vaststelling van premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten over de premiejaren 1994 tot en met 1997, over door gedaagde verstrekte bovenmatige reiskostenvergoedingen, ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd onder bepaling dat appellant een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van gedaagde.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de door appellant vastgestelde bedragen van de bovenmatige reiskostenvergoedingen in de onderhavige premiejaren, op een juiste wijze zijn vastgesteld. De rechtbank heeft op dit punt van het bestreden besluit een nader onderzoek noodzakelijk geacht.
De Raad stelt vast dat gedaagde geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank waarin de overige door haar in beroep aangevoerde gronden stellig en zonder voorbehoud zijn verworpen.
Hieruit vloeit voort dat in hoger beroep uitsluitend aan de orde is of het zojuist gegeven onderdeel van de aangevallen uitspraak, in hoger beroep stand kan houden.
De Raad beantwoordt die vraag ontkennend.
De Raad is van oordeel dat uit de voorhanden gedingstukken, waarvan met name het Management informatie overzicht, terzake van een door looninspecteur
F.A.J.J. Vermeulen in juli 1998 bij gedaagde gehouden looncontrole, afdoende naar voren komt welke uitgangspunten door gedaagde zijn gehanteerd bij de (nadere) vaststelling van het premieloon over de onderhavige jaren. De Raad heeft geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van gedaagdes in beroep betrokken stelling kunnen vinden dat appellant de totale post van de door gedaagde betaalde reiskostenvergoedingen voor reizen door andere medewerkers dan maatschappelijk werkenden en de vergoedingen voor reizen buiten het werkgebied heeft meegenomen in de correctienota’s. In tegendeel, uit voormeld overzicht komt duidelijk naar voren dat wat betreft de reiskostenvergoedingen, uitsluitend aanleiding werd gezien tot correctie van de premielonen terzake van betaalde vaste reiskostenvergoedingen, waarbij de hoogte van de bovenmatigheid is vastgesteld op 44%.
Dit betekent dat het hoger beroep van appellant slaagt.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.