
Jurisprudentie
AQ0922
Datum uitspraak2004-05-13
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers01/2943 CSV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers01/2943 CSV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Boetenota’s; tweede verzuim; opzet/grove schuld; beloningselement.
Uitspraak
01/2943 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellante heeft op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen onder nummer 00/971 CSV 58 onder dagtekening 19 april 2001 gewezen uitspraak van de rechtbank Zutphen, waarbij het beroep ongegrond is verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 november 2003, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door H.G.M. Swaak, hoofd fiscale zaken, en waar voor gedaagde, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen mr. P.T. van Arnhem, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden besluit van 31 augustus 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen boetenota’s over de premiejaren 1995 tot en met 1998 d.d. 28 februari 2000, ongegrond verklaard. Deze boetenota’s hebben als uitgangspunt dat sprake is van een tweede verzuim en dat van opzet/grove schuld sprake is ten aanzien van het nalaten van het doen van loonopgave terzake van een bepaald beloningselement. Met inachtneming hiervan is de boete vastgesteld op 50% van de ambtshalve vastgestelde premie.
In hoger beroep heeft appellante een en ander maal bestreden dat sprake is geweest van opzet dan wel grove schuld. Hetgeen appellante te dien aanzien heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd. Met hetgeen de rechtbank terzake heeft overwogen alsmede het hieraan verbonden oordeel kan de Raad zich verenigen, zodat hierin geen grond ligt om de aangevallen uitspraak niet in stand te laten.
Echter, ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad, aangegeven dat de nieuwe regelgeving, omdat deze een voor appellante gunstiger uitkomst te zien geeft, ertoe noopt de boete in het onderhavige geval vast te stellen op 37,5% van het vastgestelde premiebedrag.
De Raad deelt deze opvatting van gedaagde
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in zoverre geen stand kunnen houden.
De Raad heeft aanleiding gezien het verzoek van gedaagde om, onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zelf in de zaak te voorzien, te honoreren.
Van andere gronden, gelegen in de duur van de totale procedure, die ertoe zouden moeten leiden dat de opgelegde boetenota’s niet in stand zouden kunnen blijven, is de Raad niet gebleken, waartoe de Raad in aanmerking neemt dat de boetenota’s dateren van
28 februari 2000.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak in zoverre het beroep tegen het bestreden besluit van 31 augustus 2000 wat de boetenota’s over de premiejaren 1994 tot en met 1998 betreft, ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
Verklaart het bezwaar tegen de boetenota’s over 1995 tot en met 1998 gegrond;
Stelt de boetenota’s over 1994 tot en met 1998 vast op 37,5% van de vastgestelde premie over die jaren;
Bepaalt dat gedaagde het door appellante gestorte griffierecht van in totaal € 306,30.
aan haar vergoedt.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.