Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ0726

Datum uitspraak2004-05-28
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 03/72
Statusgepubliceerd


Indicatie

Stageduur van eiseres is ingevolge artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet op goede grond met vier maanden verlengd. De patroon van eiseres heeft geen rechtstreeks belang bij de vaststelling van de stageduur van eiseres, geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Norm arbeidstijd stage is 40 uur per week.


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT Reg. nr.: SBR 03/72 UITSPRAAK van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen: mr. [eiseres] (eiseres), wonende te [woonplaats], en, mr. [eiser] (eiser), wonende te De Bilt, e i s e r s en de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten, v e r w e e r d e r. 1. INLEIDING Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 november 2002 (hierna: het bestreden besluit), waarbij verweerder het administratief beroep van eisers tegen het besluit van 11 juni 2002 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft de Raad van Toezicht van de Nederlandse Orde van Advocaten Utrecht de stage van eiseres ingevolge artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet met vier maanden verlengd. Het geding is behandeld ter zitting van 23 april 2004, waar eiseres, daartoe opgeroepen, en eiser zijn verschenen. Eiser treedt tevens op als gemachtigde van eiseres. Namens verweerder is verschenen mr. M.A. Smid, werkzaam bij de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten. Tevens is namens verweerder verschenen mr. E. van Liere. 2. OVERWEGINGEN Feiten Op 8 januari 2002 heeft eiseres met [werkgever], gevestigde te Utrecht, vertegenwoordigd door eiser een arbeidsovereenkomst afgesloten voor onbepaalde tijd. Bij deze arbeidsovereenkomst is onder meer bepaald dat eiseres met ingang van 15 januari 2002 voor onbepaalde tijd in dienst is getreden in de functie van advocaat-stagiaire en dat voor deze functie een arbeidsduur geldt voor 36 uren per week. Naar aanleiding van correspondentie tussen eiser en de Deken der Orde van Advocaten Utrecht, mr. M.L.F.J. Schijns, is tijdens een bijeenkomst van de Raden van Toezicht en de afdeling Opleiding van de landelijke Orde de vraag aan de orde gesteld of een 36-urige werkweek voor een stagiaire als een volledige werkweek of als deeltijd dient te worden aangemerkt. Uit een brief van 1 mei 2002 die namens de portefeuillehouder Opleiding van de Algemene Raad aan de Raden van Toezicht is geschreven, blijkt dat de Algemene Raad zich bij de berekening van de stageduur vasthoudt aan een 40-urige werkweek. Bij besluit van 11 juni 2002 heeft de Raad van Toezicht van de Nederlandse Orde van Advocaten Utrecht de stage van eiseres ingevolge artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet met vier maanden verlengd. Tegen het besluit van 11 juni 2002 hebben eisers administratief beroep ingesteld bij de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten. Nadat eisers op grond van artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid zijn gesteld hun beroep bij de Algemene Raad toe te lichten, heeft verweerder het beroep van eisers ongegrond verklaard. Toepasselijk recht Ingevolge artikel 1:2 van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge artikel 1:5, tweede lid, van de Awb wordt onder het instellen van administratief beroep verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij een ander bestuursorgaan hetwelk het besluit heeft genomen. Artikel 8, derde lid, van de Advocatenwet, laatste volzin, bepaalt dat voor voorwaardelijk ingeschreven advocaten die in deeltijd werkzaam zijn, het in de eerste volzin bedoelde tijdvak naar evenredigheid wordt verlengd, met dien verstande dat deze verlenging niet meer dan drie jaar kan bedragen. Ingevolge artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet wordt voor stagiaires die in deeltijd werkzaam zijn de duur van de stage naar evenredigheid verlengd. Voorts kan de duur van de stage met ten hoogste drie jaar worden verlengd indien de raad van toezicht van oordeel is dat de stagiaire nog niet over voldoende praktijkervaring beschikt. De duur van de stage kan door de raad van toezicht, met goedkeuring van de algemene raad, op verzoek van de stagiaire worden verkort. Ingevolge artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet - voor zover van toepassing - kan een belanghebbende tegen het verlengen van de duur van de stage, (...), administratief beroep instellen bij de algemene raad. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Stageverordening 1988 bedraagt het aantal uren per week waarin door de stagiaire in deeltijd de praktijk kan worden uitgeoefend in geen geval minder dan 20 uren per week. Ingevolge artikel 5:7, eerste lid van de Arbeidstijdenwet verricht de werknemer van 18 jaar of ouder ten hoogste 9 uren per dienst, 45 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld 40 uren per week arbeid. Beoordeling Allereerst stelt de rechtbank aan orde het door verweerder in beroep ingenomen standpunt dat eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het bij de rechtbank ingestelde beroep nu eiser niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Ter zitting heeft verweerder in dit verband aangevoerd dat gelet op de uitspraak van de Rechtbank Utrecht van 22 oktober 2003 (SBR 03/2089 VV en SBR 03/2099) eiser in het door hem samen met eiseres ingestelde administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden en dat dit in beroep bij de rechtbank eveneens het geval is. Volgens verweerder betreft het een bepaling van de wet die zich richt tot de advocaat-stagiaire en niet tot de werkgever-patroon zodat eiser niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Eiser heeft in dit verband ter zitting aangevoerd dat artikel 5 van de Stageverordening 1988 een aantal substantiƫle verplichtingen aan de werkgever-patroon oplegt. Thans wordt eiser verplicht de arbeidsovereenkomst van eiseres vier maanden langer te laten duren, aldus eiser. Voorts stelt eiser dat de bepalingen van de stageverordening wel degelijk verplichtingen voor eiser opleveren, bijvoorbeeld de verplichting om eiseres gedurende de goedgekeurde stageduur te begeleiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het bepaalde in artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet specifiek betrekking op de rechtspositie van de advocaat-stagiaire, in het onderhavige geval eiseres. Voor zover eiser belang heeft bij de vaststelling van de stageduur van eiseres wordt dat belang in het leven geroepen door de arbeidsovereenkomst die eiser met eiseres heeft gesloten. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel eiser geen rechtstreeks maar een afgeleid belang heeft bij het besluit van de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten Utrecht. Derhalve kan eiser niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Gelet op het bepaalde in artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet heeft verweerder eiser ten onrechte in het door hem samen met eiseres ingestelde administratief beroep ontvankelijk verklaard. Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit voor zover verweerder eiser daarbij ontvankelijk heeft verklaard in zijn administratief beroep, niet in stand blijven. De rechtbank verklaart het beroep van eiser dan ook gegrond en bepaalt met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het ingediend administratief beroep, voor zover ingediend door eiser, alsnog niet ontvankelijk dient te worden verklaard. De rechtbank is niet gebleken dat eiser kosten heeft moeten maken die met toepassing van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen nu er, ook al is eiser zelf advocaat, geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Vervolgens staat ter beoordeling het beroep, voor zover dat is ingediend door eiseres. In dit verband staat de rechtbank voor de beantwoording van de vraag of verweerder op goede gronden de stage van eiseres ingevolge artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet met vier maanden heeft verlengd. Vooropgesteld zij dat het beroep van eiseres, zoals ook ter zitting is bevestigd, uitsluitend betrekking heeft op de verlenging van haar stageduur met vier maanden. Derhalve blijft het aspect stageverkorting in het onderhavige geschil buiten beschouwing. Kort samengevat heeft eiseres aangevoerd dat een 36-urige werkweek niet als deeltijd kan worden aangemerkt maar als een voltijd werkweek dient te worden beschouwd. Gelet hierop heeft verweerder volgens eiseres niet tot een verlenging van haar stageduur met vier maanden kunnen komen. Niet in geschil is dat noch de Advocatenwet, noch de stageverordening 1988 expliciet een aantal uur noemen waaruit een volledige werkweek bestaat. De rechtbank is - gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting - van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat uit de voornoemde artikelen 8, derde lid en artikel 9b, tweede lid van de Advocatenwet en artikel 8, tweede lid van de Stageverordening 1988, in onderlinge samenhang bezien, 40 uur werken per week gedurende de stage als norm wordt gehanteerd. De rechtbank acht daartoe het navolgende redengevend. De rechtbank stelt vast dat uit artikelen 8, derde lid en artikel 9b, tweede lid van de Advocatenwet onder meer kan worden afgeleid dat - zoals verweerder ook heeft betoogd - de stageduur bij werken in deeltijd niet meer dan verdubbeld mag worden ten opzichte van de normale stageduur van drie jaar, hetgeen betekent dat de stage niet langer dan zes jaar mag duren. Voorts stelt de rechtbank vast dat uit artikel 8, tweede lid van de Stageverordening 1988 blijkt dat bij werken in deeltijd gedurende de stage, een minimumnorm van 20 uren per week geldt. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank impliciet dat een 40-urige werkweek als voltijdse werkweek uitgangspunt is. Hierbij acht de rechtbank mede van belang dat in de periode van de totstandkoming van voornoemde artikelen, namelijk eind jaren tachtig, een 40-urige werkweek zeer gangbaar was. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder in verband met het voorgaande voorts heeft aangevoerd dat de wetgever heeft gekozen voor een gefixeerde periode waarin de stagiaire zich het beroep van advocaat eigen maakt en dat daarmee een goede rechtsbedeling is gemoeid. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de stageperiode in de advocatuur een opleidingskarakter draagt dat specifiek voor deze beroepsgroep van toepassing is. Gelet hierop leidt het standpunt van eiseres dat tegenwoordig in bepaalde branches waar opleidingaspecten spelen een volledige werkweek 36 uur bedraagt, welk standpunt de rechtbank op zich kan onderschrijven, niet tot een ander oordeel. Overigens acht de rechtbank het standpunt van verweerder dat in de advocatuur een 40-urige werkweek nog steeds gebruikelijk is, niet onaannemelijk. Met verweerder is de rechtbank daarnaast van oordeel dat de norm van een 40-urige werkweek in de advocatuur niet strijdig is met de Arbeidstijdenwet, meer specifiek artikel 5:7 van de Arbeidstijdenwet. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder op goede gronden de stageduur van eiseres op grond van artikel 9b, tweede lid, eerste volzin heeft verlengd met vier maanden. Daarbij overweegt de rechtbank dat blijkens de voornoemde arbeidsovereenkomst van 8 januari 2002 een arbeidsduur van 36 uren per week is overeengekomen. De rechtbank acht het niet onredelijk dat verweerder zich bij de vaststelling van de duur van de verlenging heeft gebaseerd op deze tussen eisers contractueel vastgelegde arbeidsduur. Daarbij is niet gebleken dat de vaststelling van verweerder dat de verlenging van de stageduur van eiseres vier maanden bedraagt, onjuist zou zijn. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het voor verweerder aanbeveling verdient om het aantal van 40 uren per week gedurende de stage - als voltijds werkweek - expliciet in een (gewijzigde) Stageverordening op te nemen. De door eiseres aangevoerde gronden kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Aangezien ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, komt het beroep van eiseres voor ongegrondverklaring in aanmerking. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank beslist als volgt. 3. BESLISSING De rechtbank Utrecht, recht doende, verklaart het beroep van eiser gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij eiser ontvankelijk is verklaard in zijn mede namens eiseres ingediende administratief beroepschrift, bepaalt, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, dat het administratief beroepschrift voor zover ingediend door eiser alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard, verklaart het beroep van eiseres ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.G.Th. Engelberts, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2004. De griffier: Het lid van de enkelvoudige kamer: mr. H.L.M. van Rooijen mr. J.G.Th. Engelberts Afschrift verzonden op: Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA, 's-Gravenhage.