Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ0546

Datum uitspraak2004-06-29
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/5215 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering toekenning WAO-uitkering.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/5215 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 oktober 2002, nummer AWB 01/1877 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 mei 2004, waar voor apperllant is verschenen mr. De Witte, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen mr. W. de Rooy-Bal, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Appellant, geboren op 15 februari 1952, is werkzaam geweest als chauffeur gedurende 40 uur per week bij een loonbedrijf. Vanaf 1 juni 1998 ontving hij een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. Op 20 oktober 1998 heeft hij zich ziekgemeld wegens rugklachten. Nadat een medische en arbeidskundige beoordeling had plaatsgevonden, heeft gedaagde bij besluit van 28 september 1999 geweigerd aan appellant ingaande 28 oktober 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, op de grond dat appellant ondanks de bij hem bestaande medische beperkingen in staat werd geacht passende werkzaamheden te verrichten, waarmee hij ongeveer 100% zou kunnen verdienen van hetgeen de aan hem gelijksoortige gezonde persoon met arbeid gewoonlijk verdient. Op 1 november 1999 is appellant via een uitzendbureau werkzaamheden gaan verrichten als rozenknipper op een rozenkwekerij. Op 2 november 1999 heeft hij zich voor die arbeid ziekgemeld met rug- en prostaatklachten. Gedaagdes verzekeringsarts C. Bosselaar heeft, na inlichtingen te hebben ingewonnen bij de behandelend neuroloog W.V.M. Perquin, appellant op 27april 2000 onderzocht. Op basis van dit onderzoek en de verkregen inlichtingen achtte hij appellant in staat tot het verrichten van rugsparende arbeid; gelet op de anamnese en de lichamelijke beperkingen c.q. de onderzoeksbevindingen was het naar zijn oordeel niet aannemelijk dat de beperkingen ten opzichte van de vorige beoordeling in 1999 waren toegenomen. De arbeidsdeskundige P.J.H. Staal heeft vervolgens met behulp van het Functie Informatie Systeem (FIS) als algemeen gangbare functies geselecteerd: samensteller, bandster/coupeuse, galvaniseur en schoonmaker kantoren. In deze functies kon appellant een zodanig loon verdienen, dat ten opzichte van het maatmaninkomen geen verlies aan verdiencapaciteit bestond. Gedaagde heeft daarop bij primair besluit van 17 oktober 2000 geweigerd aan appellant een WAO-uitkering toe te kennen, omdat het percentage van zijn arbeidsongeschiktheid sinds 2 november 1999 niet was toegenomen. Naar aanleiding van het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde op 30 januari 2001 een hoorzitting gehouden en rapportages laten uitbrengen door de bezwaarverzekeringsarts M. Keus en de bezwaararbeidsdeskundige J. Noordermeer. Zij kwamen beiden tot de slotsom dat het primaire besluit in stand kon blijven. Bij besluit van 11 april 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde vervolgens appellants bezwaar tegen het besluit van 17 oktober 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank is bij de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat gedaagde niet van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan en dat appellant met die beperkingen in staat was te achten de hem door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat zijn belastbaarheid te positief is ingeschat. Vanwege zijn rugklachten zijn er ernstige beperkingen ten aanzien van staan, lopen, zitten, bukken, tillen en knielen. Onvoldoende rekening is gehouden met de pijnklachten, die door de behandelende sector als reëel worden beschouwd en als zodanig worden behandeld. Appellant is verder van mening dat het merendeel van de hem voorgehouden functies niet passend voor hem is. Van de twee geselecteerde functies van samensteller dient er één, met functienummer 3591-0201-009, af te vallen, omdat daarin wisselende diensten voorkomen; nu de maatmanfunctie van appellant geen wisselende diensten kent, kan deze functie op grond van het Schattingsbesluit niet aan de schatting ten grondslag worden gelegd. De tweede functie van samensteller, functienummer 3591-0201-003, acht appellant niet passend omdat hij als gevolg van zijn schildklieraandoening een lichte tremor van de handen heeft, hetgeen hem verhindert fijn motorische werkzaamheden te verrichten. Ook zijn oogproblemen zouden het hand- en vingergebruik nadelig beïnvloeden. Van de vier voorgehouden functies van bandster/coupeuse worden er twee gedurende respectievelijk 20 en 19 uur per week uitgeoefend, om welke reden ze niet kunnen meetellen bij de vergelijking van het uurloon aangezien daarop een andere reductiefactor moet worden toegepast. De twee resterende functies binnen deze functiebestandscode vertegenwoordigen tezamen slechts 8 arbeidsplaatsen. Voor de functie van galvaniseur moet een cursus galvano-techniek met succes worden gevolgd. Betwist wordt dat appellant daartoe in staat is. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde deze grief nader toegelicht. De twee geselecteerde functies van schoonmaker worden blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst verricht gedurende respectievelijk 10 en 9 uur per week. Ook zou er in de avonduren moeten worden gewerkt, hetgeen een onregelmatigheids- of avondtoeslag met zich meebrengt, die geen onderdeel uitmaakt van het maatmaninkomen. In de visie van appellant zouden er aldus onvoldoende passende functies overblijven om de schatting op te kunnen baseren. De Raad overweegt als volgt. Blijkens de rapportage algemeen van 27 april 2000 was de verzekeringsarts - mede gelet op de gegevens van de behandelend neuroloog - van mening dat de aandoening van de onderrug van appellant moeilijk te objectiveren was en dat er een discrepantie was tussen de gepresenteerde klachten en de bevindingen. De urinewegklachten leidden slechts tot geringe beperkingen. De verzekeringsarts was er van op de hoogte dat appellant sinds 1977 onder controle stond van een internist in verband met schildklierproblemen. Het door hem op 29 juli 1999 opgestelde belastbaarheidspatroon werd op appellant ongewijzigd van toepassing geacht. De bezwaarverzekeringsarts baseerde zijn oordeel op dossierstudie, de tijdens de bezwaarprocedure namens appellant overgelegde verklaring d.d. 3 november 2000 van de anesthesioloog R.L. van Leersum en de van appellant ter hoorzitting verkregen informatie. Hij zag geen enkele reden om aan te nemen dat de rugbeperkingen nog forser waren dan door de primaire verzekeringsarts was aangenomen, was van mening dat met de urologische klachten in het belastbaarheidspatroon voldoende rekening was gehouden en constateerde dat appellant voor zijn oogproblemen een adequate bril kon aanschaffen en voor de schildklier geen behandeling meer nodig had. Nu appellant in hoger beroep geen aanvullende medische gegevens in het geding heeft gebracht die een ander licht op zijn gezondheidstoestand zouden kunnen werpen, gaat ook de Raad er vanuit dat gedaagde - in navolging van de (bezwaar)verzekeringsartsen - de medische beperkingen van appellant op de datum in geding niet onjuist heeft gewaardeerd. Met betrekking tot de arbeidskundige grieven van appellant verwijst de Raad allereerst naar de met het verweerschrift door gedaagde in hoger beroep ingezonden rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon van 7 januari 2003. Deze laat de functie van samensteller met functienummer 3591-0201-009 vanwege de daarbij voorkomende wisselende diensten vervallen. Over de andere functie van samensteller (functienummer 3591-0201-003) heeft nader overleg met de bezwaarverzekeringsarts plaatsgevonden inzake de fijne motoriek. Daaruit is naar voren gekomen dat een tremor van de handen slechts kan voorkomen bij een ontregelde schildklierfunctie, waarvan bij appellant gelet op de voorhanden zijnde gegevens geen sprake is. Voor de vier functies binnen de functiebestandscode van bandster/coupeuse geldt dat twee van de voorgehouden functies voorkomen binnen de bandbreedte van de maatmanfunctie. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad - zie de uitspraak van 16 april 2002, gepubliceerd in RSV 2002/159 - kunnen in dat geval ook functies binnen dezelfde functiebestandscode met een geringere urenomvang worden meegenomen zonder dat dit van invloed is op de reductiefactor. De voor de functie van galvaniseur vereiste cursus galvano-techniek moet appellant, gelet op zijn opleiding en arbeidsverleden, kunnen volgen. De Raad stelt vast dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies van samensteller, galvaniseur en bandster/coupeuse (vier functies), die respectievelijk 20, 11 en 14 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen, een toereikende arbeidskundige basis vormen. Hetgeen de gemachtigde van appellant ter zitting ter nadere onderbouwing van zijn stellingen heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een andere overtuiging kunnen brengen. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. H.J. Simon als voorzitter, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2004. (get.) H.J. Simon. (get.) J.J.B. van der Putten. CVG