
Jurisprudentie
AQ0543
Datum uitspraak2004-06-29
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/4711 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/4711 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Is terecht geweigerd aan betrokkene een arbeidsongeschiktheidsuitkering te verstrekken?
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/4711 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.
Appellant heeft op bij (aanvullend) beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 augustus 2002, nr. WAO 00/1916, waarnaar hierbij zij verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 10 december 2002 heeft appellant een nader stuk ingezonden en bij brief van 10 januari 2003 heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 mei 2004, waar appellant, met voorafgaand bericht, niet is verschenen, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. J. Visch, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant, die werkzaam was als uitzendkracht (schoonmaker), is op 25 maart 1991 uitgevallen met maagklachten. Daaropvolgend ontwikkelde appellant knie- en enkelklachten. Uit een rapportage van de verzekeringsarts L.C. Braber van
21 januari 1992 blijkt dat appellant geschikt wordt geacht voor enigszins beensparend werk met regelmatige werktijden in verband met de maagklachten. Na daaropvolgend arbeidskundig onderzoek is appellant bij beslissing van 27 februari 1992 bij einde wachttijd, zijnde 25 maart 1992, minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht. Tegen deze beslissing zijn door appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
Bij brief gedateerd 11 oktober 1996 heeft appellant aan gedaagde verzocht om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Appellant heeft bij dit verzoek een groot aantal medische rapporten overgelegd. Volgens deze rapporten zou er sprake zijn van psychische klachten in de vorm van een depressief beeld. Deze rapporten zien alle op appellants medische situatie op en na 27 december 1992. De Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) heeft namens appellant op 9 december 1996 eveneens een verzoek om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering gedaan. Daarbij is aangegeven dat appellant in 1990 naar Nederland is gekomen en dat hij in 1992 weer naar Marokko is vertrokken.
Op basis van de door appellant aangeleverde gegevens heeft gedaagdes verzekeringsarts R.J.A.M. van Eldijk geconcludeerd dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de nieuwe ‘eerste’ arbeidsongeschiktheidsdag vóór 27 december 1992 zou liggen. Verder wordt opgemerkt dat, aannemende dat er op/vanaf 27 december 1992 sprake zou zijn van beperkingen leidend tot een verminderd verdienvermogen, een en ander buiten de verzekering is komen te vallen.
Bij besluit van 24 februari 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een arbeidsongeschiktheidsuitkering te verstrekken.
Bij besluit van 6 november 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 24 februari 2000 ongegrond verklaard.
In eerste aanleg zijn door appellant nog een aantal medische verklaringen overgelegd, waarop is gereageerd door gedaagdes bezwaarverzekeringsarts W.A. Faas.
De rechtbank heeft bij de in rubriek I genoemde uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe als volgt overwogen (waarbij appellant is aangemerkt als eiser en gedaagde als verweerder):
“De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers verplichte verzekering in het kader van de WAO is geëindigd op 25 maart 1992.
Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van de namens verweerder verrichte medische beoordeling te twijfelen. Daartoe wordt het overwogen dat uit de door eiser ingebrachte stukken niet blijkt dat in de in geding zijnde periode, te weten de periode van 25 maart 1992 en de maand daarna, sprake is van medische beperkingen die zouden (kunnen) leiden tot een verminderd verdienvermogen. Ook overigens bevatten de gedingstukken geen aanknopingspunten voor dit standpunt.”
In hoger beroep is door appellant naar voren gebracht dat hij in Nederland ziek is geworden en hij na zijn vertrek naar Marokko arbeidsongeschikt is geworden en onder medische behandeling is gekomen. Verwezen wordt naar de vele medische rapporten die zijn ingezonden.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat, bij het ontbreken van in een andere richting wijzende medische gegevens van de zijde van appellant, gedaagde met recht heeft geoordeeld, op basis van het voorheen verrichte onderzoek, dat in de periode op en na 25 maart 1992 bij appellant geen sprake is geweest van toegenomen beperkingen, zodat het verzoek om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met recht is geweigerd.
De door gedaagde ingezonden medische rapportages met betrekking tot appellants gezondheidssituatie op en na 27 december 1992 kunnen hieraan niet afdoen. Dienaangaande wijst de Raad er onder meer op dat appellant is uitgevallen met been- en maagklachten, terwijl de genoemde medische rapportages in hoofdzaak betrekking hebben op psychische klachten.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr H.J. Simon, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2004.
(get.) H.J. Simon.
(get.) J.J.B. van der Putten.
CVG