Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ0506

Datum uitspraak2004-07-08
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/6497 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde BWOO-uitkering. Is sprake van toedoen van betrokkene.


Uitspraak

02/6497 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 19 november 2002, nr. 01/841 AW, naar welke uitspraak wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn, desgevraagd, nog enkele stukken overgelegd. Appellant heeft de Raad nog een overzicht gezonden van zijns inziens voor de beoordeling van de zaak van belang zijnde feiten die niet of niet goed genoeg voor het voetlicht zijn gebracht. Het geding is behandeld ter zitting van 3 juni 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING 1. Voor een uitgebreid overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.1. Appellant is van 1 augustus 1988 tot 1 december 1998 in het genot geweest van een ontslaguitkering, aanvankelijk gebaseerd op het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, later op het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO). Naar aanleiding van de resultaten van een fraude-onderzoek zijn de uitkeringen bij besluit van 14 december 2000 herzien. 1.2. Op basis van die herziening heeft gedaagde besloten de over de periode van 1 januari 1996 tot 1 december 1998 ten onrechte betaalde uitkeringen met toepassing van artikel 21, eerste lid, onder a, van het BWOO terug te vorderen. Hij was van oordeel dat de onverschuldigde betalingen hadden plaatsgevonden door toedoen van appellant. Na bezwaar heeft gedaagde de terugvorderingsbeslissing gehandhaafd bij het bestreden besluit van 5 september 2001. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe vooropgesteld dat zij dient uit te gaan van de in rechte onaantastbaar geworden herzieningsbeslissing. Zij heeft overwogen dat appellant niet heeft bestreden dat door zijn toedoen onverschuldigd uitkering is betaald. Uit de stukken, waaronder in het bijzonder die betreffende het fraude-onderzoek, is (ook) voor de rechtbank duidelijk dat appellant relevante gegevens niet heeft opgegeven. Er is geen reden om appellant niet te houden aan de eerste verklaringen die hij daarover in het kader van dat onderzoek heeft afgelegd. De rechtbank acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die zouden moeten leiden tot het oordeel dat gedaagde geen gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid het (over de in geding zijnde jaren) onverschuldigd betaalde geheel terug te vorderen. 3. Appellant heeft in hoger beroep doen aanvoeren dat er bij hem absoluut geen boos opzet in het spel was en dat hij dacht dat hij correct handelde. Er kan dan niet gezegd worden dat er door zijn toedoen te veel uitkering is betaald. Subsidiair is aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden waren. In de periode in geding was de geestestoestand van appellant bijzonder slecht, zo is gesteld. Ter zitting heeft appellant in dit verband naar voren gebracht dat het voor hem en zijn vrouw een ellendige tijd was, waarin zij nauwelijks konden rondkomen. De echtgenote van appellant heeft enige tijd psychologische hulp moeten hebben. 4. De Raad overweegt dat hij zich geheel kan verenigen met het oordeel van de rechtbank. Zoals hij eerder heeft overwogen (CRvB 12 april 2001, TAR 2001, 91) is voor een terugvorderingsbevoegdheid in een geval als waarop artikel 21, eerste lid, onder a, van het BWOO ziet, niet vereist dat er sprake is van kwade trouw of opzet. Voldoende is dat er onjuiste inlichtingen zijn verstrekt. Daarvan is in dit geval onmiskenbaar sprake geweest. De Raad ziet in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht met betrekking tot de situatie in de hier van belang zijnde periode geen bijzondere omstandigheden die gedaagde aanleiding hadden behoren te geven van zijn terugvorderingsbevoegdheid niet of niet volledig gebruik te maken. 5. De aangevallen uitspraak moet dus worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. R. Kooper en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2004. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) P.W.J. Hospel. HD 29.06