Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ0478

Datum uitspraak2004-07-01
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/6289 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Beoordeling medewerker bij een Consulaat Generaal tot stand gekomen in strijd met het beginsel van fair play.


Uitspraak

02/6289 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats] (Hongarije), appellante, en de Minister van Buitenlandse Zaken, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Door appellante is op de daartoe bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 oktober 2002, nr. AWB 01/2857 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarop door appellante is gereageerd. Op verzoek van de Raad heeft gedaagde nadere gegevens ingezonden en informatie verstrekt. Appellante heeft daarop een reactie gegeven en een nader stuk ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 27 mei 2004, waar appellante in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door R.J. van Gent, werkzaam bij gedaagdes Ministerie. II. MOTIVERING 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Bij besluit van 1 september 1999 heeft gedaagde appellante per 6 november 1999 toegevoegd aan het Consulaat Generaal, tevens ambassade in oprichting, te Santo Domingo (Dominicaanse Republiek) en haar benoemd in de functie van Medewerker Fraudebestrijding en Legalisatie. In die functie was appellante belast met het zelfstandig verrichten van werkzaamheden op het gebied van legalisatie en verificatie en het assisteren van de Chef de Poste bij het opzetten van een fraudebestrijdings- en verificatie-/legalisatieafdeling alsmede met het leveren van een intensivering van de fraudebestrijding. 1.2. Op 21 september 2000 is met toepassing van het Beoordelingsvoorschrift Buitenlandse Zaken over het functioneren van appellante in het tijdvak van 8 november 1999 tot 15 augustus 2000 een beoordeling vastgesteld. 1.3. Na bezwaar heeft gedaagde die beoordeling bij het door appellante bestreden besluit van 26 juni 2001, overeenkomstig het door de Adviescommissie Bezwaren Beoordelingen gegeven advies, op meerdere onderdelen aangepast en overigens in stand gelaten. 2. De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. 3. Appellante bestrijdt ook in hoger beroep de waardering van de onderdelen begeleiden, contact en flexibiliteit alsook de totaalscore bij kwaliteit met een b en kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de beoordeling niet op onvoldoende gronden berust. Verder heeft appellante nog benadrukt dat de beoordeling blijk geeft van vooringenomenheid jegens haar. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1. Tussen partijen is niet in geschil, en op het beoordelingsformulier is dat ook uitdrukkelijk als bijzondere omstandigheid vermeld, dat de post Santo Domingo een zeer gebrekkige infrastructuur had, zowel op personeels- als op materieel gebied, en dat de moeilijke omstandigheden waaronder gewerkt moest worden veel van de medewerkers vergden. 4.2. De Raad leidt uit de gedingstukken af dat de personele problemen met name werden gevormd door niet-ingevulde vacatures van een of meer baliemedewerkers, administratieve medewerkers en een beoordelaar. De materieel gebrekkige infrastructuur was onder meer het gevolg van de niet toereikende huisvesting, het ontbreken van technische (geautomatiseerde) voorzieningen ten behoeve van de administratieve verwerking van aanvragen en de opbouw, registratie en archivering van dossiers, alsmede door het problematische verloop van het realiseren van die voorzieningen. 4.3. De Raad heeft, gelet ook op de door appellante in het verslag van 7 juni 2000 van het functioneringsgesprek en in de loop van de onderhavige procedure genoemde door gedaagde grotendeels niet weersproken concrete voorbeelden geen reden om in twijfel te trekken dat appellante op grond van deze omstandigheden, waaruit blijkens de verklaring van de beoordelingsautoriteit ten overstaan van de Adviescommissie Bezwaren Beoordelingen onvermijdelijk regelmatig conflicten voortkwamen, ernstig is belemmerd in de uitoefening van haar functie. De Raad acht voorts van betekenis de in voornoemd verslag genoemde omstandigheid, dat de omvang van de lopende werkzaamheden onevenredig veel beslag legde op de werktijd van appellante, waardoor onvoldoende aandacht kon worden besteed aan het opzetten van de nieuwe werkwijze. 4.4. De gedingstukken laten verder zien dat appellantes verzoeken om extra personele ondersteuning, in verband met de door appellante gesignaleerde en expliciet bij haar direct leidinggevende aan de orde gestelde werkachterstand in het verificatie- en legalisatieproces, door de leidinggevenden niet, althans niet in voldoende mate, werden gehonoreerd. Eerst tijdens het bezoek van 16 tot 23 juni 2000 van een zogeheten departementale missie zijn de gesignaleerde problemen op de verificatie- en legalisatieafdeling door de leiding in kaart gebracht en op aanbeveling van deze missie structureel aangepakt, onder meer door het inschakelen van extra personeel en door appellantes direct leidinggevende te belasten met het directe toezicht op alle werkprocessen die verband hielden met het verificatie- en legalisatieproces. 4.5. Bezien tegen de achtergrond van het kort voor de komst van de departementale missie met appellante gevoerde functioneringsgesprek, waaruit naar het oordeel van de Raad niet valt af te leiden dat het functioneren van appellante aan belangrijke kritiek onderhevig was, heeft gedaagde de Raad er niet van kunnen overtuigen dat aan de door de departementale missie gesignaleerde problemen op de legalisatie- en verificatie-afdeling en de daarmee verband houdende verschuiving van toezichthoudende taken naar appellantes direct leidinggevende, een andere oorzaak ten grondslag heeft gelegen dan de invloed van de hiervoor onder 4.2. en 4.3. genoemde bijzondere omstandigheden op het functioneren van de medewerkers van de post in het algemeen en op het functioneren van appellante in het bijzonder. 4.6. Onder deze gegeven omstandigheden was het naar het oordeel van de Raad niet fair om appellante reeds in de maand augustus 2000 met een beoordelingsprocedure te confronteren. Gedaagde had in deze omstandigheden aanleiding moeten vinden om (vooralsnog) van beoordeling van appellantes functioneren af te zien, opdat ook de resultaten van appellantes functioneren onder de nieuwe, op aanbeveling van de missie doorgevoerde werkwijze, in de beoordeling zouden kunnen worden betrokken. De Raad is dan ook van oordeel dat de beoordeling tot stand is gekomen in strijd met het beginsel van fair play. 5. Het hier overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. Aangezien het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft eveneens kleeft aan het besluit van 21 september 2000 en dit gebrek niet bij een nieuw besluit op bezwaar hersteld kan worden, zal de Raad ook dat besluit vernietigen. 6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 juni 2001 gegrond; Vernietigt dat besluit alsmede het besluit van 21 september 2000; Bepaalt dat de Staat der Nederlanden het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 267,10 aan appellante vergoedt. Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2004. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) P.J.W. Loots. HD 05.07 Q