Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ0473

Datum uitspraak2004-06-30
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/3736 ALGEM
Statusgepubliceerd


Indicatie

Privaatrechtelijke dienstbetrekking.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/3736 ALGEM U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante]., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, bij aanvullend hoger beroepschrift van 30 september 2002 hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zutphen op 28 juni 2002 gewezen uitspraak (nr.: 01/1488 CSV), waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een op 21 oktober 2002 gedagtekend verweerschrift ingezonden. Bij brief van 23 december 2002 is van de zijde van appellante een nader stuk ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 2004, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. H.H. van Steijn, kantoorgenoot van mr. Kobossen, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door C. Postma-Enkelaar, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellante is een onderneming die zich onder meer bezighoudt met de uitoefening van een transportbedrijf. Uit een looncontrole, die zich met name heeft gericht op eigenrijders zonder vergunning, is gebleken dat appellante gebruik heeft gemaakt van de diensten van G.W. [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) als chauffeur, welke diensten zij niet in haar loonadministratie heeft verantwoord. Bij het bestreden besluit van 25 oktober 2001 heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat de arbeidsverhouding tussen appellante en [betrokkene] in de jaren 1997 tot en met juni 1999, het moment waarop [betrokkene] beschikte over een eigen vervoersvergunning, dient te worden aangemerkt als een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zodat sprake is van verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich op het standpunt gesteld dat gedaagde de tussen appellante en [betrokkene] bestaande arbeidsverhouding terecht heeft aangemerkt als een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, aangezien aan alle voorwaarden daartoe, te weten de verplichting om persoonlijk arbeid te verrichten, de verplichting loon te betalen en een gezagsverhouding, is voldaan. Dat [betrokkene] zijn diensten aan meerdere opdrachtgeverster beschikking stelde heeft de rechtbank daarbij niet van belang geacht. Appellante kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft in hoger beroep ter onderbouwing van haar standpunt met name aangevoerd dat de rechtbank er niet zonder meer vanuit mocht gaan dat [betrokkene] geen personeel in dienst heeft gehad, dan wel dat [betrokkene] niet beschikte over een geldige vervoersvergunning, alsmede dat de betalingen aan de eenmanszaak van [betrokkene] hem persoonlijk zijn toegekomen. Appellante heeft willen voorkomen dat er sprake zou zijn van een gezagsverhouding en heeft om die reden gecontracteerd met de eenmanszaak van [betrokkene] en heeft [betrokkene] daartoe een aantal vrijheden gegeven. De Raad overweegt dienaangaande als volgt. Evenals de rechtbank, neemt de Raad aan dat [betrokkene] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking voor appellante werkzaam was. De Raad is van oordeel dat aan de voorwaarden voor het aannemen van een zodanige dienstbetrekking is voldaan. De Raad overweegt daartoe dat op het moment dat [betrokkene], die in de periode 1997 tot en met juni 1999 vrijwel uitsluitend voor appellante reed een opdracht aanvaard had, hij gehouden was die werkzaamheden persoonlijk te verrichten. Daarbij merkt de Raad op dat [betrokkene] eerst in het jaar 2000 personeel in dienst heeft genomen. Voorts staat vast dat per rit werd afgerekend, zodat ook de loonbetalingsverplichting aanwezig was. Ten aanzien van de tussen appellante en [betrokkene] bestaande gezagsverhouding hecht de Raad grote waarde aan de omstandigheid dat [betrokkene] tot en met eind juni 1999 niet in het bezit was van de vereiste op eigen naam gestelde vergunning ingevolge de Wet goederenvervoer over de weg, op grond waarvan hij gerechtigd was zelfstandig vervoer te verzorgen. Tot dat moment was hij afhankelijk van de vergunning van appellante, waardoor naar het oordeel van de Raad het ontbreken van gezag niet waarschijnlijk is, ook al brengt de aard van de werkzaamheden mee dat dit gezag niet manifest aanwezig zal zijn. Gelet op vaste jurisprudentie van de Raad vervalt deze sterke indicatie voor de aanwezigheid van gezag slechts op het moment dat een chauffeur daadwerkelijk over een eigen vervoersvergunning beschikt. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het hoger beroep van appellante niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004. (get) R.C. Schoemaker (get) R.E. Lysen