
Jurisprudentie
AQ0458
Datum uitspraak2004-06-30
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/3392 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/3392 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vaststelling belastbaarheidspatroon.
Uitspraak
02/3392 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. A.M.R. van Ginneken, advocaat te Utrecht, op bij beroepschrift (met bijlagen) vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht op 17 mei 2002 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. SBR 01/421), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ginneken, voornoemd, als zijn raadsvrouw, en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant, geboren op 12 maart 1967, heeft een agrarische HBO-opleiding voltooid en heeft in de periode 1991-1994 achtereenvolgens gewerkt als cursusleider/projectmedewerker, sluiswachter en grondwerker.
Op 11 juni 1996 heeft appellant een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingediend. Na medisch onderzoek is een belastbaarheidspatroon opgesteld, gedateerd 18 december 1997, waarin diverse beperkingen op zowel fysiek als psychisch vlak zijn opgenomen. Na arbeidskundig onderzoek heeft gedaagde bij besluit van 19 november 1998 aan appellant met ingang van 11 juni 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure is een enigszins aangepast belastbaarheidspatroon opgesteld, gedateerd 22 maart 1999, waarin extra beperkingen zijn opgenomen in verband met dyslexie. Bij besluit van 1 april 1999 heeft gedaagde de bezwaren van appellant in zoverre gegrond verklaard dat per 11 juni 1995 een WAO-uitkering wordt toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 juli 2000 het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Hierbij heeft de rechtbank, wat betreft de medische kant van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, overwogen dat niet dan wel onvoldoende is gebleken dat het aan het besluit van 1 april 1999 ten grondslag liggende medische onderzoek was toegespitst op de toekenningsdatum 11 juni 1995.
Op 19 december 2000 heeft de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel, na nader medisch onderzoek te hebben verricht, een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld, mede onder verwijzing naar verkregen informatie van de huisarts alsmede de behandelend neuroloog, chiropractor, andragoloog en reumatoloog, dat de medische beperkingen van appellant op 11 juni 1995 hetzelfde waren als de beperkingen zoals vastgesteld in het kader van het besluit van 1 april 1999. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige J.P.M. Stoffers op 10 januari 2001 een rapport uitgebracht, waarin is vermeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 11 juni 1995 op 32,11% moet worden gesteld, zodat indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% aan de orde is. Bij besluit van 25 januari 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen het besluit van 19 november 1998 wederom in zoverre gegrond verklaard dat per 11 juni 1995 een WAO-uitkering wordt toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Tegen dit besluit heeft appellant beroep bij de rechtbank ingesteld. Hierbij heeft hij onder meer aangevoerd dat hij vanwege zijn ernstige vermoeidheidsklachten niet in staat is om enige loonvormende arbeid te verrichten en dat in ieder geval de hem voorgehouden (voltijd)functies niet passend zijn.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. In dit verband heeft de rechtbank onder meer overwogen dat niet is gebleken dat het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit voor onzorgvuldig moet worden gehouden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat gedaagde bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellant in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met de diverse door appellant aangegeven klachten, waaronder vermoeidheidsklachten, hoofdpijnklachten, concentratiestoornissen, visusklachten, polsklachten en klachten in verband met dyslexie. Wat betreft de aan appellant voorgehouden functies heeft de rechtbank overwogen dat de functie van samensteller elektrotechnische en/of elektronische producten niet passend is te achten vanwege een niet gemotiveerde markering bij aspect 28J, inhoudende geen mogelijkheid tot contact. De rechtbank heeft evenwel de resterende functies, te weten de functies van samensteller metaalproducten, confectiestikker en bankemployé, wel geschikt geacht. In dit verband heeft de rechtbank per functie aangegeven op grond waarvan de bij deze functies voorkomende markeringen (bij de aspecten 28A, werken onder tijdsdruk, 28B, dwingend werktempo, en 28D, conflicterende functie-eisen) naar haar oordeel door gedaagde voldoende zijn onderbouwd. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op basis van deze functies stand kan houden.
In het in hoger beroep ingediende beroepschrift is namens appellant naar voren gebracht dat hij in 1995 leed aan het chronisch vermoeidheidssyndroom en fibromyalgie en dat hij als gevolg van deze aandoeningen niet in staat was om voltijdfuncties te vervullen. Ter zitting van de Raad heeft appellant aangevoerd, kort samengevat, dat hij op de datum in geding klachten van depressieve aard had, dat de beperkingen die hij ondervindt als gevolg van dyslexie en oogklachten door gedaagde zijn onderschat en dat hij op 11 juni 1995 vanwege zijn vermoeidheidsklachten hooguit 12 tot 15 uur per week arbeid kon verrichten.
De Raad overweegt als volgt.
In de eerste plaats onderschrijft de Raad de hierboven samengevat weergegeven overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.
Naar aanleiding van hetgeen appellant ter zitting van de Raad heeft aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende. Het is voor de Raad onvoldoende komen vast te staan dat appellant op de datum in geding, 11 juni 1995, dusdanige klachten had van depressieve aard dat in verband hiermee extra beperkingen hadden moeten worden aangenomen. In dit verband verwijst de Raad mede naar de brief van de behandelend psychiater H.A.J.M. van Gerven d.d. 7 augustus 1995. Met betrekking tot de door appellant genoemde klachten in verband met dyslexie alsmede de oogklachten overweegt de Raad dat appellant zijn stellingen op dit punt niet nader heeft onderbouwd met een op hem toegespitste medische verklaring. Tot slot is de Raad van oordeel dat voor het aannemen van een urenbeperking in de gedingstukken van medische aard onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van
mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.