
Jurisprudentie
AQ0422
Datum uitspraak2004-06-29
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/1388 TW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/1388 TW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Terugvordering uitkering wegens inkomsten uit arbeid.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/1388 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Groningen, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 januari 2002, nr. AWB 01/70 TW, waarnaar hierbij zij verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 18 mei 2004, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder ontleent de Raad de volgende, door partijen niet bestreden, feiten en omstandigheden:
“Eiser ontvangt sinds 11 januari 1981 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 februari 1987 aangevuld met een toeslag ingevolge de TW.
In een op 21 maart 2000 aan hem gezonden inlichtingenformulier heeft eiser gemeld dat hij in 1999 gedurende 16 uur per week heeft gewerkt. Eiser heeft aangegeven dat hij op de zaterdagen (50 keer per jaar) met handel op de rommelmarkt te [plaats 1] staat en op de zondagen (39 keer per jaar) op de rommelmarkt te [plaats 2]. Eiser heeft verder aangegeven dat hij op de zaterdagen gemiddeld f. 75,00 netto verdient en op de zondagen gemiddeld f. 100,00 netto.
In het kader van het, mede naar aanleiding van voormeld inlichtingsformulier, door verweerder aangevangen onderzoek is eiser op 22 maart 2000 gehoord. Blijkens het proces-verbaal van dit verhoor heeft eiser verklaard, dat hij voormelde werkzaamheden verricht sinds 1994. Eiser heeft verder verklaard dat hij van deze werkzaamheden tot 21 maart 2000 op de hem toegezonden inlichtingenformulieren geen melding heeft gemaakt, omdat hij meende, vanwege de beperkte omvang van de werkzaamheden, dat dit niet hoefde.
Bij besluit van 20 juni 2000 heeft verweerder aan eiser medegedeeld, dat de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de WAO, ondanks zijn inkomsten uit arbeid, ongewijzigd blijft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij een tweede besluit van 20 juni 2000 heeft verweerder de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de TW met ingang van 1 januari 1994 ingetrokken.
Verweerder heeft bij besluit van 7 juli 2000 de over de periode van 1 januari 1994 tot 1 juli 2000 onverschuldigd aan eiser betaalde uitkering ingevolge de TW ten bedrage van f. 33.037,70 van hem teruggevorderd.
Eiser is vervolgens op 17 juli 2000 opnieuw gehoord. Blijkens het proces-verbaal van dit verhoor heeft eiser verklaard, dat bij de inkomsten die hij heeft genoemd in het eerste verhoor nog rekening gehouden moet worden met de inkoopsprijzen van de goederen die hij verkoopt. Eiser heeft verklaard, dat hij op de zaterdagen gemiddeld f. 25,00 overhield en op de zondagen gemiddeld f. 30,00. Eiser heeft verder verklaard, dat hij sinds 1994 op de rommelmarkt [plaats 1] staat en sinds 1999 op de rommelmarkt te [plaats 2].
Eiser heeft op 20 juli 2000 bezwaarschriften bij verweerder ingediend, gericht tegen de beide besluiten van 20 juni 2000 en het besluit van 7 juli 2000. In bezwaar heeft eiser zijn bezwaar, gericht tegen het besluit van 20 juni 2000 betreffende de WAO-uitkering van eiser, ingetrokken.
Bij zijn thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en nader bepaald dat de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de TW wordt herzien met ingang van 1 januari 1996 en de over de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 2000 onverschuldigd aan eiser betaalde uitkering ten bedrage van f. 6.148,07 van hem wordt teruggevorderd.
Verweerder heeft hiertoe besloten na kennis te hebben genomen van de tweede verklaring van eiser en na te hebben vastgesteld, dat verweerder heeft verzuimd rekening te houden met de zogenaamde vrijlatingsregeling als bedoeld in artikel 7 van de TW.
Eiser kan zich hier niet mee verenigen en heeft daartoe aangevoerd, dat verweerder bij zijn onderzoek naar de inkomsten van eiser enkel is afgegaan op de tweede verklaring van eiser, op welke verklaring eiser gedeeltelijk wenst terug te komen. Eiser heeft verklaard dat hij op de goede dagen de door hem genoemde bedragen heeft verdiend, maar ook dikwijls geen verdiensten had of zelfs verlies heeft gedraaid.
Eiser heeft verklaard dat verweerder bij de herziening en terugvordering van de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de TW dan ook van een onjuist bedrag aan inkomsten is uitgegaan.”
Onder verwijzing naar de desbetreffende bepalingen van de Toeslagenwet (TW) heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat gedaagde gehouden is tot het terugvorderen van ten onrechte betaalde uitkering, tenzij sprake is van dringende redenen op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid heeft om te besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat appellant vanaf 1994 in een zodanige omvang en regelmaat werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten, dat het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat dit van invloed kon zijn op de hem toegekende toeslag. Volgens de rechtbank heeft gedaagde zijn thans bestreden besluit kunnen baseren op de op 17 juli 2000 door appellant afgelegde verklaring. Daarbij merkt de rechtbank op dat, blijkens het proces-verbaal van dit verhoor, appellant deze verklaring heeft afgelegd ter verduidelijking van de eerste door hem afgelegde verklaring. Dat zijn verklaring van 17 juli 2000, zoals door appellant in bezwaar en beroep is aangevoerd, geen juist beeld schetst van zijn inkomsten moet naar het oordeel van de rechtbank voor risico van appellant blijven, nu hij geen administratie betreffende zijn inkomsten heeft kunnen overleggen.
De rechtbank overweegt verder dat niet is gebleken dat de wijze waarop gedaagde de terugvordering heeft vormgegeven in rechte geen stand kan houden. Volgens de rechtbank is gesteld noch gebleken dat er sprake is van dringende redenen die gedaagde ertoe hadden moeten brengen van terugvordering af te zien.
Het gaat in het onderhavige geding om de beantwoording van de vraag of de rechtbank, in het voetspoor van gedaagde, met recht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit, waarbij gedaagde de aan appellant toegekende toeslag met ingang van 1 januari 1996 heeft herzien en de ten onrechte betaalde toeslag heeft teruggevorderd, in rechte stand kan houden.
Met overneming van de gronden in de aangevallen uitspraak beantwoordt de Raad deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
Namens appellant is in het bijzonder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen dringende reden is om niet tot terugvordering over te gaan, gezien het feit dat appellant volledig arbeidsongeschikt is en een uitkering heeft op minimumniveau. Appellant zou in grote financiële problemen komen indien hij het bedrag dat wordt teruggevorderd alsnog dient te betalen. Dienaangaande merkt de Raad op dat door of namens appellant de gestelde problemen op geen enkele wijze met financiële gegevens zijn onderbouwd. Daarenboven merkt de Raad op dat het aldus gestelde in hoofdzaak een invorderingsprobleem betreft. Inzake de invordering geldt dat appellant de mogelijkheid heeft (gehad) met gedaagde een regeling te treffen. Bij zo’n regeling heeft gedaagde de beslagvrije voet in aanmerking te nemen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr H.J. Simon, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2004.
(get.) H.J. Simon.
(get.) J.J.B. van der Putten.