
Jurisprudentie
AQ0399
Datum uitspraak2004-07-07
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/234 NABW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/234 NABW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Terugvordering bijstand wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding.
Uitspraak
02/234 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. R.A. van Seumeren, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 december 2001,
reg.nr. 01/1242 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 mei 2004, waar appellante is verschenen, bij-gestaan door mr. Van Seumeren, en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat, mede gelet op de gedingstukken, uit van de volgende feiten.
Appellante ontving sedert 1980 een bijstandsuitkering, aanvankelijk ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) naar de norm voor een éénoudergezin en aansluitend ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Naar aanleiding van het bij gedaagde gerezen vermoeden dat appellante zou samenwonen, heeft de Sociale Recherche van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante toegekende uitkering. Op grond van de resultaten van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 6 juli 1998, heeft gedaagde onder meer geconcludeerd dat appellante in de periode van
1 januari 1985 tot en met 30 april 1998 op haar woonadres een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [partner] (hierna: [partner]), waarvan zij aan gedaagde geen mededeling heeft gedaan.
Gedaagde heeft vervolgens bij primair besluit van 22 maart 2000 - voorzover hier van belang - de uitkering van appellante over de periode van 1 april 1995 tot en met 30 april 1998 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 april 1995 tot en met 30 april 1998 tot een bedrag van f 83.324,45 van haar terugge-vorderd.
Het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 16 maart 2001 ongegrond verklaard, onder wijziging van het primaire besluit in zoverre dat de intrekking van de uitkering uitsluitend plaatsvindt over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 1998, en wel op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. De terugvordering over de periode van 1 april 1995 tot en met 31 oktober 1996 wordt alsnog gebaseerd op de artikelen 57 en 30 van de ABW en de terugvordering over de periode van 1 november 1996 tot en met 30 april 1998 op artikel 81, eerste lid (tekst vóór en vanaf 1 juli 1997), van de Abw.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad overweegt het volgende.
Het geding spitst zich toe op de vraag of appellante met [partner] een gezamenlijke huishouding in de zin van achtereenvolgens artikel 5a, tweede lid, van de ABW, artikel 3, tweede en derde lid, van de Abw (tekst vóór 1 januari 1998) en artikel 3, derde en vierde lid, van de Abw (tekst vanaf 1 januari 1998) heeft gevoerd.
Aangezien uit de relatie tussen appellante en [partner] twee kinderen zijn geboren is, gelet op het bepaalde in de hiervoor genoemde artikelen van de Abw, voor de beantwoording van de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Abw bepalend of al dan niet komt vast te staan dat appellante en [partner] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Onder de werking van artikel 5a van de ABW dient niet alleen vast te staan dat appellante en [partner] gezamenlijk in hun huisvesting voorzagen, maar moet tevens zijn voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg.
Anders dan appellante, is de Raad op grond van de bevindingen in het rapport van de Sociale Recherche van oordeel dat gedaagde op goede gronden heeft vastgesteld dat appellante en [partner] gedurende het gehele hier aan de orde zijnde tijdvak een gezamenlijke huishouding in de zin van achtereenvolgens de ABW en de Abw hebben gevoerd.
Evenals de rechtbank kent de Raad daarbij zwaarwegende betekenis toe aan de verklaringen die [partner] in het kader van het onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand op 27 en 28 april 1998 tegenover de betrokken opsporingsambtenaren heeft afgelegd. De Raad ziet geen grond voor de door appellante bepleite conclusie dat [partner] niet aan deze verklaringen mag worden gehouden. Niet is gebleken dat deze verklaringen onder onaanvaardbare druk zijn afgelegd. De stelling van appellante dat [partner] ten tijde van het afleggen en de ondertekening van de desbetreffende verklaringen onvoldoende kennis had van de Nederlandse taal om het gesprek met de betrokken ambtenaren goed te kunnen voeren en om te kunnen begrijpen wat op schrift is gesteld en wat hij ondertekend heeft, vindt naar het oordeel van de Raad geen steun in de inhoud van de verklaringen, noch in de overige gedingstukken. [partner] heeft zijn verklaringen, nadat hem deze waren voorgelezen, per bladzijde ondertekend en daarbij geen enkel voorbehoud gemaakt. De Raad gaat dan ook uit van de juistheid van de op 27 en 28 april 1998 door [partner] afgelegde verklaringen, die hierop neerkomen dat appellante en hij vanaf 1984 in feite hebben samengewoond op het adres van appellante. Voorts is in dit verband van belang dat appellante in de nabijheid van haar woning een parkeerplaats had gehuurd voor een auto die op naam van [partner] stond. Verder hebben enkele getuigen, allen woonachtig in de directe nabijheid van de woning van appellante, verklaard dat in de woning van appellante een man en een vrouw met kinderen woonachtig waren, en dat zij [partner] als de man in kwestie herkenden. Ten slotte is van belang dat uit het onderzoek van de Sociale Recherche is gebleken dat [partner] niet zijn hoofdverblijf had ter plekke van zijn woonadres, zijnde een door hem gehuurde woning, doch dat deze woning was onderverhuurd. Getuigen, woonachtig in de directe nabijheid van de woning van [partner], hebben dit tegenover de Sociale Recherche bevestigd. Aan de van de kant van appellante ingebrachte tegenover de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen in de strafzaak tegen haar en [partner], gaat de Raad in het licht van het vorenstaande voorbij.
Dat in de periode waarop de ABW nog van toepassing is sprake is geweest van wederzijdse zorg, blijkt in de eerste plaats uit de financiële verstrengeling tussen appellante en [partner]. Kortheidshalve verwijst de Raad naar de verklaring van [partner] van 28 april 1998 ten aanzien van zijn bijdrage in de huishouding van f 400,-- tot f 500,-- per maand, terwijl appellante de woonlasten droeg. Voorts maakte [partner] volgens zijn verklaring gebruik van alle voorzieningen in de woning van appellante, deed appellante de was van [partner] en verrichtte [partner] volgens de verklaring van appellante wat klusjes in huis.
Het voorgaande betekent dat appellante ten tijde hier van belang als gehuwde diende te worden aangemerkt, zodat zij geen recht meer had op een bijstandsuitkering naar de norm voor een éénoudergezin op grond van de ABW, respectievelijk voor een alleenstaande ouder ingevolge de Abw. Voorts is niet betwist de overweging in het bestreden besluit dat [partner] geacht wordt ten tijde in geding over voldoende inkomsten te beschikken om in de noodzakelijke bestaanskosten van hemzelf en appellante te voorzien. Appellantes uitkering is dan ook terecht ingetrokken.
Appellante heeft geen mededeling aan gedaagde gedaan van het voeren van een gezamenlijke huishouding met [partner], zodat zij de ingevolge de artikelen 30, tweede lid, van de ABW, respectievelijk 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingen-plicht heeft geschonden.
Gedaagde was derhalve op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden om over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 1998 tot intrekking van het recht van appellante op uitkering over te gaan. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien, is de Raad niet gebleken.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat over de periode van 1 april 1995 tot en met 30 april 1998 is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering met toepassing van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW, respectievelijk artikel 81, eerste lid (tekst vóór en vanaf 1 juli 1997), van de Abw. De hoogte van het teruggevorderde bedrag is als zodanig niet betwist. De Raad ziet geen dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW, respectievelijk 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
De Raad merkt ten aanzien van de wettelijke grondslag van het bestreden besluit nog wel het volgende op.
Gedaagde heeft, wat de terugvordering betreft, het bestreden besluit voor de periode van 1 januari 1996 tot 1 november 1996 gebaseerd op de ABW, ervan uitgaande dat pas per 1 november 1996 (de datum waarop omzetting van de bijstandsuitkering van appellante van de ABW naar de Abw heeft plaatsgehad) de Abw diende te worden toegepast. Dit is onjuist. Appellante had immers, achteraf beschouwd, op de peildatum 31 december 1995 niet als zelfstandig subject recht op bijstand ingevolge de ABW en was in verband daar-mee geen persoon als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Invoeringswet herinrichting ABW. Dit betekent dat ten aanzien van de terugvordering reeds per 1 januari 1996 de Abw had moeten worden toegepast. Het bestreden besluit berust derhalve wat de periode van 1 januari 1996 tot 1 november 1996 betreft niet op de juiste wettelijke grondslag
Dit leidt ertoe dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Raad echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit in stand te laten.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante, begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voorzover betrekking hebbende op de terugvordering over de periode van 1 januari 1996 tot 1 november 1996;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 1288,--, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 109, 23 vergoedt.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I. 't Hooft en
mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) I.D. Veldman.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de ABW en de Abw kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toe-passing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
GdJ
27