Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ0343

Datum uitspraak2004-05-13
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Middelburg
Zaaknummers75/2004
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Gemeente heeft voornemen dwangsommen te innen. Eiser vordert staking van de executie. Na afweging van wederzijdse belangen gemeente veroordeeld invordering te staken. Geen spoedeisend belang gemeente, zij moet resultaat bodemprocedure afwachten.


Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG Sector civiel recht, voorzieningenrechter Vonnis van 13 mei 2004 in de zaak van: Kort gedingnr.: 75/2004 1. de vennootschap onder firma Hendriksen Legemaate v.o.f., h.o.d.n. AVH, gevestigd te Kapelle, 2. (naam eiser 2), vennoot, 3. (naam eiser 3), vennoot, beiden domicilie kiezende te Bergen op Zoom ten kantore van Vreijling Advocaten, eisers, procureur: mr. J.A.M. Dietvorst, advocaat: mr. drs. J.H. Hommel, tegen: de gemeente Kapelle, zetelende te Kapelle, gedaagde, procureur: mr. U.T. Hoekstra. 1. Het verloop van het geding Partijen worden verder aangeduid als Hendriksen c.s. en de gemeente. Ter terechtzitting van 29 april 2004 hebben Hendriksen c.s. gevorderd de gemeente te veroordelen: - de invordering van de dwangsom te staken en gestaakt te houden, onder voorwaarde dat Hendriksen c.s. haar bedrijfsvoorraad uiterlijk 29 april heeft overgebracht naar de locatie Stationssingel, alsmede een datum te bepalen waarop ten laatste een procedure ten gronde dient te zijn aangevangen; - om binnen zeven dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis aan Hendriksen c.s. te voldoen al hetgeen reeds op basis van de eerder genoemde besluiten mocht zijn ingevorderd ten tijde of na het uitbrengen van de dagvaarding; - in de kosten van dit geding. De gemeente heeft verweer gevoerd. Na verder debat is vonnis gevraagd. De inhoud van de overgelegde processtukken, waaronder pleitnota’s en producties zijdens beide partijen, geldt als hier ingelast. 2. De feiten In het geding wordt van de navolgende feiten uitgegaan: 2.1. Hendrikse c.s. drijven in de gemeente Kapelle een onderneming in inkoop en verkoop van auto’s. 2.2. De onderneming van Hendriksen c.s. bevond zich op het zogeheten “Lika-terrein”. Bij besluit van 21 mei 2002 heeft de gemeente in verband met verontreiniging met onder andere asbest onder meer een verbod tot betreding van het “Lika-terrein” uitgevaardigd. Tegen dit besluit hebben Hendriksen bezwaar aangetekend, welk bezwaar ongegrond is verklaard. Hiertegen is beroep ingediend bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Middelburg. 2.3. Hendriksen c.s. hebben de onderneming tijdelijk verplaatst naar de “Oude Veiling”. Bij besluit van de gemeente van 12 november 2002 is Hendriksen gesommeerd het gebruik van de “Oude Veiling” wegens strijd met het bestemmingsplan te staken op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 50.000,00. Tegen dit besluit hebben Hendriksen c.s. bezwaar aangetekend, welk bezwaar ongegrond is verklaard. Hiertegen is geen beroep aangetekend. 2.4. Per 1 maart 2004 konden Hendriksen c.s. met hun bedrijf een locatie aan de Stationssingel te Kapelle betrekken. 2.5. Bij brief d.d. 4 maart 2004 heeft de gemeente aangegeven dat zij de invordering van de dwangsom ad € 50.000,00 stop zal zetten indien Hendriksen c.s. op uiterlijk 10 maart 2004 klaar is met de verhuizing en Hendriksen c.s. het beroep in de asbestzaak intrekt. Hendriksen c.s. hebben hieraan geen gevolg gegeven. 2.6. De gemeente heeft op 15 maart 2004 een aanmaning verstuurd voor een bedrag van € 43.764,00. Op 16 maart 2004 is aan Hendriksen c.s. een dwangbevel betekend voor een bedrag van € 6.708,00. 3. Het geschil 3.1. Hendriksen c.s. stellen dat de gemeente geen enkel redelijk belang bij de executie heeft, aangezien het te bereiken doel -staking van de bedrijfsactiviteiten op de locatie Oude Veiling- reeds is gerealiseerd. De invordering van de dwangsom is, gezien het verloop van de gebeurtenissen, voor de gemeente nooit van groot belang geweest, zodat geen acute noodzaak bestaat om tot invordering over te gaan. Verder hebben Hendriksen c.s. met de gemeente een overeenkomst gesloten waarbij is afgesproken dat Hendriken op het bedrijventerrein een stuk grond zou kopen en daarheen zou verhuizen en dat zij dan door de gemeente met rust zouden worden gelaten. Na een wisseling van wethouders is de gemeente hier ineens op teruggekomen. Hendriksen c.s. stellen voorts dat er op de locatie Oude Veiling nooit handelingen in strijd met het bestemmingsplan zijn verricht. Er zijn geen reparaties aan auto’s verricht. Hendriksen c.s. zijn bovendien geen reële mogelijkheid geboden om aan de invordering te ontkomen, aangezien zij pas op 6 maart 2004 de onder 2.5. vermelde brief hebben ontvangen en een verhuizing voor 10 maart 2004, gelet op de bedrijfsvoorraad, niet realiseerbaar was. Later was de gemeente bereid de termijn voor verhuizing tot 29 april 2004 te verlengen, maar wel onder de voorwaarde dat het beroep in de asbestzaak zou worden ingetrokken. Hiermee zou echter afstand worden gedaan van een wettelijk beschermingsmiddel tegen overheidsoptreden. Bovendien hebben Hendriksen c.s. schade geleden door het optreden van de gemeente en daarvoor biedt de gemeente tot op heden geen schadevergoeding aan. Hendriksen c.s. hebben groot belang bij staking van de executie van de dwangsom omdat de onderneming in ernstige financiële problemen zal komen als tot invordering van de dwangsom zal worden overgegaan. 3.2. De gemeente stelt dat Hendriksen c.s. zich verzetten tegen executie van de dwangsom. Aangezien zij reeds bij gelijkluidende dagvaarding van 24 maart 2004 dezelfde vordering hebben ingesteld en deze vervolgens weer hebben ingetrokken. Zij dienen thans niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen. Het is in strijd met de goede procesorde om tweemaal dezelfde vordering in te stellen. Bovendien kan men zich niet meer dan één keer tegen de executie verzetten. De gemeente stelt verder dat het college van B&W heeft geconstateerd dat Hendriksen c.s. in strijd met het bestemmingsplan een autohandel exploiteert op de locatie Oude Veiling. Daartegen is na lange tijd rekening te hebben gehouden met de lastige situatie waarmee Hendriksen c.s. te maken hebben gehad, opgetreden door een dwangsombesluit uit te vaardigen en in bezwaar te handhaven. Tegen dit besluit is geen beroep aangetekend, zodat van de rechtsgeldigheid van het besluit dient te worden uitgegaan. Door Hendriksen c.s. is thans het maximale dwangsombedrag verbeurd. De gemeente is op grond van de wil van de wetgever verplicht om de dwangsom te incasseren en bovendien heeft de gemeenteraad op invordering aangedrongen. De gemeente erkent dat is toegezegd dat van de invordering zou worden afgezien indien Hendriksen c.s. naar het bedrijventerrein zou verhuizen, echter de gemeenteraad is hiermee niet akkoord gegaan. Onder voorwaarden, waaronder intrekking van de vermeende asbestclaim door Hendriksen c.s., was de gemeente tot voor kort bereid om, als tegemoetkoming in de kosten van herinrichting als gevolg van de uitgevoerde sanering, van de invordering van haar vordering -de verbeurde dwangsommen- af te zien, maar hieraan is geen gehoor gegeven. Thans is alleen nog incasso van de verbeurde dwangsom aan de orde. De gemeente betwist overigens dat Hendriksen c.s. in het kader van de asbestzaak enige vordering op de gemeente hebben, nu deze niet is onderbouwd. Uiteindelijk doel van de gemeente is om een einde te maken aan de overtreding van het bestemmingsplan door Hendriksen c.s. Gebleken is echter dat Hendriksen c.s. de overtreding nog steeds niet hebben beëindigd en ook niet voornemens zijn dit te doen, aangezien ook na 29 april 2004 nog auto’s in de Oude Veiling achterblijven. 4. De beoordeling 4.1. Nu Hendriksen ten tijde van de vorige kort gedingprocedure de dagvaarding voor een inhoudelijke behandeling heeft ingetrokken en op basis van een op verzoek van de gemeente gewezen vonnis de proceskosten aan de gemeente heeft vergoed, is daarmee de rechtstoestand van voor de aanvang van die kort gedingprocedure herleefd en staat het Hendriksen c.s. vrij de vordering opnieuw in te stellen zonder dat dan sprake is van strijd met de goede procesorde. Hendriksen c.s. zijn derhalve ontvankelijk in hun vorderingen. 4.2. Ter zitting heeft de gemeente aangegeven door te gaan met de invordering van de dwangsom, nog daargelaten of aan alle formele vereisten ten aanzien van de invordering is voldaan. Bij afweging van de wederzijdse belangen van partijen heeft de gemeente naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter thans geen spoedeisend belang bij de invordering totdat in een bodemprocedure is beslist over de rechtmatigheid daarvan. Hendriksen c.s. zijn als gevolg van een besluit van de gemeente ten aanzien van het Lika-terrein met hun bedrijf naar een andere locatie moeten uitwijken en als gevolg daarvan zijn zij in een noodsituatie terechtgekomen. Voorts hebben zij thans grotendeels voldaan aan het opheffen van de strijdige toestand ten aanzien van de locatie Oude Veiling. Bovendien hebben Hendriksen c.s. gesteld dat zij door invordering van de dwangsom ernstig in de financiële problemen komen, hetgeen door de gemeente op zich niet is weersproken. De voorzieningenrechter is voorshands bovendien van oordeel dat een door Hendriksen c.s. tegen de gemeente aan te spannen bodemprocedure, gelet op de omstandigheden van het geval, niet geheel kansloos is. Verder is het thans niet uitgesloten dat aan Hendriksen c.s. een vordering op de gemeente wordt toegekend als gevolg van de tegen het asbestbesluit aangespannen beroepsprocedure bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank. De gemeente daarentegen heeft lang gewacht om tot invordering van de dwangsom over te gaan en vervolgens de invordering herhaaldelijk uitgesteld. Bovendien had de gemeente aan Hendriksen c.s. toegezegd dat van de invordering zou worden afgezien indien Hendriksen c.s. op korte termijn naar het bedrijventerrein zou verhuizen. Hendriksen c.s. hebben daartoe een ondertekende intentieverklaring bij de gemeente afgegeven en vervolgens is de gemeente op de toezegging teruggekomen en is een aanvang gemaakt met de invordering. In het licht van het bovenstaande zullen de vorderingen worden toegewezen op onderstaande wijze. Het voorgaande betekent niet dat de gemeente niet mag incasseren, maar dat de rechtmatigheid daarvan eerst in een bodemprocedure dient te worden uitgewezen. Nu nog geen enkel bedrag aan dwangsommen is geincasseerd, behoeft op de vordering tot terugbetaling niet te worden beslist. 4.2. De gemeente zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding. 5. De beslissing De voorzieningenrechter: - veroordeelt de gemeente om de invordering van de dwangsom te staken en gestaakt te houden totdat in een bodemprocedure over de rechtmatigheid van de invordering van voornoemd dwangbevel door de gemeente is beslist, onder de voorwaarde dat door Hendriksen c.s. haar bedrijfsvoorraad uiterlijk 29 april 2004 is overgebracht naar de locatie Stationssingel; - bepaalt dat uiterlijk op 14 juli 2004 voornoemde bodemprocedure aanhangig dient te zijn gemaakt; - veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding tot aan deze uitspraak aan de zijde van Hendriksen c.s. begroot op € 70,40 wegens kosten dagvaarding, € 241,00 wegens griffierechten en € 900,00 wegens procureurssa-laris; - verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; - wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. L.A.M. van Dijke, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzit-ting van 13 mei 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.