Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ0340

Datum uitspraak2004-07-09
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/4924 AKW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Overschrijding van de bezwaartermijn.


Uitspraak

03/4924 AKW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Appellante heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2003, nummer AWB 03/539 AKW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 juni 2004, waar appellante - zoals tevoren was bericht - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. G.J. Oudenes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. II. MOTIVERING Bij brief van 3 juli 2002 heeft appellante aan gedaagde medegedeeld per 26 augustus 2002 te verhuizen naar Bonaire. Zij heeft in dat schrijven een voorlopig adres op Bonaire alsmede een postadres in Nederland opgegeven. Bij besluit van 6 september 2002, gericht aan het door appellante opgegeven postadres in Nederland, heeft gedaagde appellante medegedeeld dat zij met ingang van het vierde kwartaal van 2002 geen recht heeft op kinderbijslag omdat zij op de peildatum van dat kwartaal niet meer verzekerd was ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Op 13 november 2002 heeft appellante tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 30 december 2002 heeft gedaagde dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard onder overweging dat de termijn voor het indienen van bezwaar is overschreden en dat niet is gebleken dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft in de eerste plaats vastgesteld dat de termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaarschrift is overschreden en vervolgens overwogen dat niet is gebleken van omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat redelijkerwijs niet kan worden gezegd dat appellante met de termijnoverschrijding niet in verzuim is geweest nu haar post slechts een maal per maand werd doorgezonden. In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat de oorzaak van de termijnoverschrijding niet was gelegen in het slechts een maal per maand doorzenden van haar post, doch in het feit dat er destijds problemen waren met de postverzending naar de Nederlandse Antillen, waardoor de post eerst zes tot negen weken na verzending werd bezorgd. Ook indien het primaire besluit rechtstreeks naar haar adres op Bonaire zou zijn verzonden, zou zij niet in staat zijn geweest daartegen tijdig bezwaar te maken, aldus appellante. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het primaire besluit door toezending aan het door appellante opgegeven postadres op de juiste wijze bekend is gemaakt. De bezwaartermijn is op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht gaan lopen op de dag na die verzending en is derhalve overschreden. Bij de keuze van een postadres in Nederland is het aan de betrokkene ervoor zorg te dragen dat hij tijdig kennis draagt van de inhoud van de post dan wel dat degene die zijn post op dat adres in ontvangst neemt zijn belangen naar behoren behartigt. Nu appellante dergelijke voorzorgsmaatregelen klaarblijkelijk niet heeft genomen, komt het risico daarvan voor haar rekening. De Raad is overigens uit een zich in het dossier bevindende telefoonnotitie gebleken dat naar aanleiding van de in het primaire besluit neergelegde weigering van kinderbijslag op 16 september 2002 door appellante telefonisch contact is opgenomen met gedaagdes kantoor. Daarbij is nadere informatie gevraagd. De Raad maakt hieruit op dat appellante op dat moment bekend was met de inhoud van het besluit van 6 september 2002 en daartegen tijdig (voorlopig) bezwaar had kunnen (laten) maken. Uit het vorenstaande vloeit voort dat ook de Raad van oordeel is dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar kan worden geacht. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2004. (get.) M.M. van der Kade. (get.) M.F. van Moorst.