Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ0328

Datum uitspraak2004-06-30
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/6132 ALGEM
Statusgepubliceerd


Indicatie

Gemotiveerd verzoek om uitstel voor het indienen van de gronden. Niet adequate reactie.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/6132 ALGEM U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant en [gedaagde] handelend onder de naam [uitzendbureau], te [vestigingsplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift van 21 januari 2004 aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond onder dagtekening 5 november 2003 tussen partijen gewezen uitspraak (nr.: 02/1047 ALGEM), waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij schrijven van 7 mei 2004 heeft mr. J.M.H. Römkes, advocaat te Maastricht, van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door C. Postma-Enkelaar, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde -met voorafgaand schriftelijk bericht- niet is verschenen. II. MOTIVERING Het geschil betreft het antwoord op de vraag of appellant gedaagde bij besluit van 27 augustus 2002 op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat gedaagde bij het instellen van bezwaar verzuimd heeft de gronden van het bezwaar in te dienen en dit verzuim niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld. Bij brieven van 15 mei 2002 zijn aan gedaagde besluiten betreffende premiecorrectienota’s over 1999 en 2000 bekend gemaakt. Bij bezwaarschriften van 12 juni 2002 is namens gedaagde proforma bezwaar aangetekend met de mededeling dat voor 1 juli 2002 de bezwaren gemotiveerd zullen worden. Bij faxbericht van 30 juni 2002 is namens gedaagde verzocht tot verlenging van de termijn voor het indienen van de gronden tot 15 juli 2002. Appellant heeft hierop de gemachtigde van gedaagde bij brief van 1 juli 2002 in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen vier weken te herstellen. Bij faxbericht van 24 juli 2002 heeft de gemachtigde van gedaagde appellant gemotiveerd verzocht om uitstel van de termijn voor het indienen van de gronden. Appellant heeft hierop het bezwaar van gedaagde bij besluit van 27 augustus 2002 kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard vaststellende dat de inhoud van de brief van 24 juli 2002, in samenhang met de in de strafrechtelijke procedure aan gedaagde tegengeworpen gebreken in de loonadministratie, welke mede ten grondslag liggen aan het opleggen van de correctienota’s, (net) voldoende is om te oordelen dat de gronden van het bezwaar zijn ingediend. Appellant heeft daartegen aangevoerd dat de rechtbank een innerlijk tegenstrijdige uitspraak heeft gedaan door de vaststelling dat er niet een voldoende concrete grond is ingediend terwijl in een mededeling toch gronden worden gezien. Naar de mening van appellant wordt, juist ter voorkoming van interpretatie van gronden, van belanghebbenden verwacht dat voldoende concreet bezwaar wordt ingediend op grond waarvan het besluit kan worden heroverwogen. De Raad overweegt als volgt. De Raad is van oordeel dat het schrijven van 24 juli 2002 een gemotiveerd verzoek om uitstel is voor het indienen van de gronden. Uit het aanvullend hoger beroepschrift blijkt dat appellant eveneens die mening is toegedaan. Uit de op het schrijven van 24 juli 2002 volgende niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar blijkt niet dat appellant het schijven van 24 juli 2002 als zodanig heeft opgevat, zodat het naar het oordeel van de Raad een niet adequate reactie is op een gemotiveerd verzoek om uitstel. Reeds om die reden kan het bestreden besluit geen stand houden en komt de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht tot slot termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,00 voor verleende rechtsbijstand. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,00; Verstaat dat van appellant een recht van € 409,00 wordt geheven. Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004. (get.) R.C. Schoemaker (get.) R.E. Lysen