Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ0259

Datum uitspraak2004-06-29
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/080103-04
Statusgepubliceerd


Indicatie

Buitensporig machtsvertoon in Doetinchemse coffeeshop. Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf waarvan 10 maanden voorwaardelijk.


Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN Meervoudige kamer voor strafzaken Parketnummer: 06/080103-04 Uitspraak d.d.: 29 juni 2004 Vord. na voorw. veroord.: 08/007093-01 tegenspraak / dip VONNIS in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats], thans gedetineerd in gevangenis De Marwei. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juni 2004. De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 14 maart 2004 in de gemeente Doetinchem met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten de coffeeshop [naam], in ieder geval waarneembaar voor publiek of voor een of meer anderen, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer1], [slachtoffer2], [slachtoffer3], [slachtoffer4], [slachtoffer5], [slachtoffer6] en tegen een tafel, camera's, monitoren, een televisie en/of andere goederen in die coffeeshop, welk geweld bestond uit - het zich gezamenlijk (in twee auto's) begeven naar die coffeeshop, het daar dreigend naar binnen gaan en het dreigend indringen op of gaan naar voornoemde personen of een of meer van hen - het geven van een kopstoot aan [slachtoffer3] - het slaan/stompen/schoppen van [slachtoffer1], [slachtoffer5], [slachtoffer2] - het slaan met een vuurwapen tegen het hoofd van [slachtoffer1] en tegen het hoofd van [slachtoffer3] - het slaan met dat vuurwapen, althans met een hard voorwerp, tegen het hoofd van [slachtoffer2] - het duwen van de loop van dat vuurwapen in de mond van [slachtoffer1] - het duwen van dat vuurwapen tegen het voorhoofd, tussen de ogen, van [slachtoffer4] - het richten/wijzen met dat vuurwapen in de richting van [slachtoffer6] - het kapotslaan van en/of gooien met een tafel, camera's, monitoren, een televisie en/of andere goederen in die coffeeshop, waarbij hij, verdachte, opzettelijk een of meer van die goederen heeft vernield en het door hem, verdachte, gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad bij voornoemde [slachtoffer1] (p. 126 e.v.), [slachtoffer2] (p. 146 e.v.) en [slachtoffer3] (p. 156 e.v.) en [slachtoffer5] (p. 171 e.v.); art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, dat hij op of omstreeks 14 maart 2004 in de gemeente Doetinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan (een) perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3], opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] met een pistool, althans een vuurwapen en/of met de handen/vuisten, meermalen, althans eenmaal, (hard) in het gezicht, althans het hoofd heeft geslagen en/of voornoemde [slachtoffer3] een kopstoot heeft gegeven en/of geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; art 47 Wetboek van Strafrecht art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, dat hij op of omstreeks 14 maart 2004 in de gemeente Doetinchem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, al dan niet met voorbedachte rade, mishandelend [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] met een pistool, althans een vuurwapen, meermalen, althans eenmaal, (hard) in het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of met de handen/vuisten heeft geslagen/gestompt en/of [slachtoffer3] een kopstoot heeft gegeven en/of met de handen/vuisten heeft geslagen/gestompt, waardoor voornoemde perso(o)n(en) letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden; art 301 Wetboek van Strafrecht art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht 2. hij op of omstreeks 14 maart 2004 in de gemeente Doetinchem en/of (elders) in Nederland een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool, althans een vuurwapen en/of munitie van categorie III, te weten (scherpe) patronen voorhanden heeft gehad; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd (p. 371, 376, 381, 390, 391, 396, 398, 399, 408); art 26 lid 1 Wet wapens en munitie Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij op 14 maart 2004 in de gemeente Doetinchem, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten de coffeeshop [naam], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer1], [slachtoffer2], [slachtoffer3], [slachtoffer4], [slachtoffer5], [slachtoffer6] en tegen een tafel, monitoren, een televisie en andere goederen in die coffeeshop, welk geweld bestond uit - het zich gezamenlijk (in twee auto's) begeven naar die coffeeshop, het daar dreigend naar binnen gaan en het dreigend indringen op of gaan naar voornoemde personen of een of meer van hen - het geven van een kopstoot aan [slachtoffer3] - het slaan/stompen/schoppen van [slachtoffer1], [slachtoffer5], [slachtoffer2] - het slaan met een vuurwapen tegen het hoofd van [slachtoffer1] en tegen het hoofd van [slachtoffer3] - het slaan met dat vuurwapen, althans met een hard voorwerp, tegen het hoofd van [slachtoffer2] - het duwen van de loop van dat vuurwapen in de mond van [slachtoffer1] - het duwen van dat vuurwapen tegen het voorhoofd, tussen de ogen, van [slachtoffer4] - het richten/wijzen met dat vuurwapen in de richting van [slachtoffer6] - het kapotslaan van en/of gooien met een tafel, monitoren, een televisie en andere goederen in die coffeeshop, waarbij hij, verdachte, opzettelijk die goederen heeft vernield en het door hem, verdachte, gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad bij voornoemde [slachtoffer1], [slachtoffer2] en [slachtoffer3] en [slachtoffer5]; 2. hij op 14 maart 2004 in de gemeente Doetinchem en (elders) in Nederland een wapen van categorie III, te weten een pistool en munitie van categorie III, te weten (scherpe) patronen voorhanden heeft gehad. Bewijsoverweging Deze bewezenverklaring is gebaseerd op de navolgende bewijsmiddelen. Verdachte (p. 375) en de medeverdachten [medeverdachte1] (p. 388) en [medeverdachte2] (p. 407) verklaren dat ze met twee auto’s naar Doetinchem zijn gereden. Uit de verklaringen van onder meer [slachtoffer4] (p. 161 ev) en [slachtoffer3] (p. 150 ev) en uit het ambtelijk verslag van verbalisant [naam agent1] (p. 213) waarin hij een beschrijving geeft van hetgeen op de camerabeelden is te zien, blijkt dat verdachte en de drie medeverdachten met hoge snelheid via de achterdeur het pand betraden. De getuigen [slachtoffer2] (p. 140 ev), [slachtoffer4] (p. 162) en [slachtoffer1] in zijn latere verklaring (p.123 ev) hebben waargenomen dat medeverdachte [medeverdachte3] een kopstoot gaf aan [slachtoffer3]. Uit de verklaringen van verdachte (p. 376) en de medeverdachte [medeverdachte1] (p. 397) en de getuigenverklaringen van [slachtoffer1] (p. 114), [slachtoffer2] (p. 142), de aangifte van [slachtoffer5] (p. 169), [getuige1] (p. 362) en het hiervoor aangehaalde ambtelijk verslag (p. 215) maakt de rechtbank op dat medeverdachte [medeverdachte3] [slachtoffer3] en [slachtoffer5] heeft geslagen/gestompt en dat hij en verdachte [slachtoffer1] hebben geslagen/gestompt en geschopt. [slachtoffer2] verklaart in zijn aangifte (p. 141) dat medeverdachte [medeverdachte3] hem geslagen heeft met het pistool. Getuige [slachtoffer4] (p. 162) heeft dit gezien en de medische informatie en de foto’s (146 en 148) kunnen deze handeling ondersteunen. Verdachte heeft erkend [slachtoffer2] te hebben geslagen (p. 380/381). Hoewel alleen de betrokken slachtoffers ([slachtoffer1] (p. 114) en [slachtoffer3] (p. 151) in hun aangifte verklaren dat zij door verdachte met het pistool zijn geslagen, acht de rechtbank mede gelet op de medische informatie over en de foto’s van [slachtoffer1] (p. 129 en 135) en de samenhang met hetgeen hiervoor over [slachtoffer2] is overwogen voldoende aannemelijk dat verdachte dat geweld heeft gepleegd. [slachtoffer1] heeft in zijn aangifte (p. 114) verklaard dat medeverdachte [medeverdachte3] de loop van het vuurwapen in zijn mond heeft gedaan. Hoewel geen van de aanwezigen dit incident heeft waargenomen, past deze handeling naar het oordeel van de rechtbank in het patroon van de geweldplegingen. De rechtbank houdt daarbij ook rekening met de verklaring van [slachtoffer3] (p. 154) die verklaart dat medeverdachte [medeverdachte3] op een gegeven moment op de hurken voor de op de grond liggende [slachtoffer1] zat, dat [medeverdachte3] een vuurwapen in zijn hand had, alsmede met de verklaring van medeverdachte [medeverdachte1] (p. 398) die heeft gezien dat [medeverdachte3] het pistool pakte, ermee naar [slachtoffer1] – die op de grond lag – liep en het op [slachtoffer1] richtte. Aangever [slachtoffer4] (p. 162) en de getuigen [slachtoffer1] (p. 121) en [slachtoffer2] (p. 142) verklaren dat [medeverdachte3] een pistool tegen het voorhoofd – tussen de ogen – van [slachtoffer4] heeft geduwd. Getuige [getuige2] (p. 353) verklaart dat [slachtoffer4] een kringetje van vuil en bloed op zijn voorhoofd had staan. [slachtoffer6] (p. 345) verklaart in zijn aangifte dat er met een vuurwapen in zijn richting is gewezen. Naar het oordeel van de rechtbank past ook deze handeling in het patroon van de geweldplegingen. Verbalisant [naam agent2] beschrijft in zijn proces-verbaal van bevindingen (p. 185) kort de vernielingen waarover aangever [slachtoffer1] (p. 115) uitvoeriger verklaart, waarbij [slachtoffer1] [medeverdachte3] belast. [slachtoffer2] (p. 142) ondersteunt deze verklaring. (Feit 2) Verdachte verklaart over het wapen met patronen op p. 376. Behalve medeverdachte [medeverdachte3], die zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, verklaart nagenoeg elke betrokkene ([slachtoffer1] en [slachtoffer2], [slachtoffer3], [slachtoffer4], [slachtoffer6] en de medeverdachten [medeverdachte1], [medeverdachte2]) dat verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte3] het pistool met munitie dat is teruggevonden in Enschede (proces-verbaal van bevindingen, p. 300) heeft/hebben gehanteerd. Met betrekking tot het bestanddeel “openlijk” overweegt de rechtbank dat de coffeeshop geopend was voor publiek ( bijvoorbeeld p. 355) en dat vanaf de openbare weg het tumult kon worden opgemerkt (p. 359 en 366). Met betrekking tot het bestanddeel ”in vereniging” in relatie tot het geweld tegen de goederen overweegt de rechtbank dat, ondanks het feit dat alleen medeverdachte [medeverdachte3] met [slachtoffer1] naar boven is gegaan en hij degene is geweest die de goederen heeft vernield, uit het geheel van de eerdere geweldplegingen door met name verdachte, maar in mindere mate ook door [medeverdachte1], alsmede het feit dat zij [medeverdachte3] naar boven zien lopen en niets doen om dat te verhinderen, kan worden afgeleid dat ook deze geweldpleging in vereniging is gepleegd. Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezene levert op de misdrijven: feit 1: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen; feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie. Verdachte heeft verklaard dat hij niet op de hoogte was van de reden van het bezoek aan de coffeeshop. Deze beweerdelijke onwetendheid staat echter naar het oordeel van de rechtbank haaks op het geweld dat verdachte direct na zijn binnenkomst in het pand heeft toegepast. Namens verdachte is daaromtrent aangevoerd dat zijn betrokkenheid bij de vechtpartij in het kader van een situatie van noodweer dan wel noodweerexces geplaatst dient te worden. Dit beroep op noodweer c.q. noodweerexces verwerpt de rechtbank, nu geen enkele omstandigheid aannemelijk is geworden waaruit voortvloeit dat zich voor verdachte een zodanige situatie heeft voorgedaan, dat het voor verdachte noodzakelijk was om zichzelf of een ander te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De manier waarop verdachte en de medeverdachten het pand hebben betreden, waarbij zij direct zeer veel geweld hebben toegepast tegen personen, staat aan een succesvol beroep op noodweer(exces) in de weg. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Oplegging van straf en/of maatregel De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij haar straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van langere duur dan door de officier van justitie is gevorderd leiden. Verdachte is doelbewust met drie anderen naar de coffeeshop in Doetinchem gereden, is het pand binnengestormd en heeft direct zeer veel geweld gebruikt tegen de directeuren, enkele werknemers en een klant. Verdachte heeft daarbij een geladen vuurwapen gebruikt, waarmee hij weliswaar niet heeft geschoten, maar waarmee hij wel heeft geslagen en gedreigd. Nu zowel verdachte als aangevers er uitdrukkelijk voor hebben gekozen om geen inzicht te verschaffen in de aanleiding van het gewelddadige optreden, heeft de rechtbank zich daarover geen oordeel kunnen vormen. Dit laat onverlet dat de rechtbank dit buitensporige machtsvertoon onder alle omstandigheden zeer afkeurenswaardig acht, zeker gezien het openlijke karakter ervan. Feiten als de onderhavige versterken gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. Dat daarbij – zoals door de raadsman aangevoerd - niet zonder betekenis kan blijven dat het incident zich in een bepaald milieu heeft afgespeeld, doet aan de ernst en afkeurenswaardigheid van het delict niet af. Verdachte is eerder voor geweldsdelicten veroordeeld. De strafeis van de officier van justitie doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Vordering tot schadevergoeding De benadeelde partij [slachtoffer1], wonende te [woonplaats], bankrekeningnummer [rekeningnummer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.058,-gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering, die qua hoogte niet is betwist, is voor toewijzing vatbaar. De benadeelde partij [slachtoffer3], wonende te [woonplaats], bankrekeningnummer [rekeningnummer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ter terechtzitting ten bedrage van € 900,- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor toewijzing vatbaar. De benadeelde partij [naam coffeeshop], gevestigd te [woonplaats], bankrekeningnummer [rekeningnummer] heeft zich met een door de directeur van de BV ter terechtzitting aangepaste vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 6.895,50 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Met betrekking tot de materiële schade, te weten de kosten ad € 1.963,50 in rekening gebracht door Crimewatch is naar het oordeel van de rechtbank, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot een bedrag van € 1.650,- (exclusief BTW) schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor toewijzing vatbaar. De vordering van [naam coffeeshop] zal voor wat betreft het meer gevorderde - de BTW – worden afgewezen. De benadeelde partij [naam coffeeshop] dient voor wat betreft tot de omzetterugval niet-ontvankelijk verklaard te worden, nu de vordering in zoverre niet van zodanig eenvoudige aard is dat zij zich leent voor afdoening in het strafproces. De benadeelde partij [slachtoffer4], wonende te [woonplaats], bankrekeningnummer [rekeningnummer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 400,-gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering, die qua hoogte niet is betwist, is voor toewijzing vatbaar. Schadevergoedingsmaatregel Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank telkens aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemde slachtoffers. In beslag genomen voorwerpen De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het onder 2 bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet. Vordering tenuitvoerlegging Nu is bewezen dat verdachte zich opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dient de bij vonnis van de politierechter te Almelo van 28 februari 2002 (parketnummer 08/007093-01) voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis ten uitvoer gelegd te worden. Toepasselijke wettelijke voorschriften Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36b, 36c, 36f, 57, 91, 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. BESLISSING De rechtbank beslist als volgt. Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar. Verklaart de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht. Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een handvuurwapen, een patroonhouder en 4 patronen. Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van schadevergoeding aan de navolgende benadeelde partijen van de hierna genoemde bedragen, telkens vermeerderd met de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden steeds begroot op nihil. Benadeelde partij Bedrag 1. [slachtoffer1] € 1.058,-; 2. [slachtoffer3] € 900,-; 3. [naam coffeeshop] € 1.650,- 4. [slachtoffer4] € 400,-. Wijst de vordering van [naam coffeeshop] voor wat betreft de BTW af. Verklaart de benadeelde partij [naam coffeeshop] voor het overige (de omzetterugval) niet-ontvankelijk in haar vordering. Verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd. Legt aan veroordeelde tevens de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het /de navolgende slachtoffer(s) te betalen, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal hechtenis zal kunnen worden toegepast van na te melden duur zonder dat de betalingsverplichting vervalt. Benadeelde partij Bedrag vervangende hechtenis 1. [slachtoffer1] € 1.058,- 21 dagen 2. [slachtoffer3] € 900,- 18 dagen 3. [naam coffeeshop] € 1.650,- 33 dagen 4. [slachtoffer4] € 400,- 8 dagen Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Almelo van 28 februari 2002 (parketnummer 08/007093-01), te weten van: een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis Aldus gewezen door mr. De Bie, voorzitter, mrs. Van Beuge en Hemrica, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Bruijn-van der Sluijs, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 juni 2004.