
Jurisprudentie
AF6131
Datum uitspraak2003-03-21
Datum gepubliceerd2003-03-21
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers90168/KG ZA 03-97
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2003-03-21
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers90168/KG ZA 03-97
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Zaaknummer: 90168/KG ZA 03-97
Vonnisdatum: 21 maart 2003
726/CW
RECHTBANK TE HAARLEM,
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
vader, wettelijk vertegenwoordiger van zoon,
wonende te Aalsmeer,
eisende partij,
procureur mr. H.J. Bettink,
advocaat mr. M.L.A. Verleun te Vinkeveen,
-- tegen --
de stichting STICHTING IRIS, Stichting voor Christelijk Voortgezet onderwijs,
gevestigd te Haarlem, kantoorhoudende te Heemstede,
gedaagde partij,
verschenen bij de door haar hiertoe uitdrukkelijk gevolmachtigde H.C.J. van der Voort.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vader respectievelijk de Stichting.
1. Het verloop van het geding
1.1 Ter terechtzitting van 11 maart 2003 heeft de vader overeenkomstig de dagvaar-ding gesteld en gevorderd als hierna onder 3. weergegeven en die vordering toegelicht aan de hand van overgelegde pleitnotities. De Stichting heeft tegen deze vordering verweer gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.
1.2 Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld een aantal vragen van de voorzie-ningenrechter te beantwoorden. Ook is ter terechtzitting een regeling in der minne be-proefd. Nadat gebleken was dat een voldoende basis voor een minnelijke regeling ontbreekt hebben partijen vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op heden.
2. De vaststaande feiten
In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:
a. De Stichting vormt het bevoegd gezag in de zin van artikel 1 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) over een zestal scholen voor Christelijk voortgezet onderwijs in het zuiden van Noord-Holland. Eén van deze scholen is de R.K. Scholengemeenschap T. te U. (hierna ook aan te duiden als 'de school'), een school voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs met circa 900 leerlingen, van wie een deel van allochtone afkomst is.
b. de zoon (hierna [zoon] te noemen) heeft de leeftijd van zestien jaar en is leerplichtig gedurende het thans lopende schooljaar. Hij is als leerling ingeschre-ven op de school.
c. [zoon] maakt deel uit van een groep van acht leerlingen die zich binnen de leer-lingengemeenschap van de school heeft onderscheiden door allen gekleed te gaan in zwarte legerlaarzen, een spijkerbroek, een zwarte trui (van het merk Lonsdale) en door een gemillimeterde haardracht. De leden van deze groep, van wie sommi-gen bij tijd en wijle (ook) verbaal uiting hebben gegeven aan sympathie voor het rechts-extremistische gedachtengoed, werden door de overige leerlingen 'nazi's' genoemd.
d. Tussen de groep en een aantal allochtone leerlingen is een rivaliteit ontstaan. Deze rivaliteit heeft zich aanvankelijk geuit in scheldpartijen maar is medio januari 2003 geëscaleerd en heeft onder meer geresulteerd in een vechtpartij. Dat leidde tot tientallen telefoontjes van ouders die verontrust waren omdat hun zoon of dochter niet meer naar school durfde.
e. Op 20 januari 2003 heeft de school onder de ouders van haar leerlingen een nieuwsbrief verspreid met onder meer de volgende inhoud:
(…)
Onrust op school
De laatste week gonst het van de meest wilde geruchten. Er zouden groepen uit Amsterdam komen om 'verhaal te halen' op een groepje leerlingen op onze school die zich door kleding en uitlatingen discriminerend gedragen. Er zou al een leerling door een ruit zijn gegooid vanwege deze problemen, terwijl dit per ongeluk gebeurde. Wij vinden de ontstane onrust uiteraard heel vervelend. De een heeft een nog sterker verhaal dan de ander. Leerlingen gaan zich onveilig voelen en dat kunnen we niet toestaan.
De docenten en de directie hebben al een aantal maatregelen genomen om de onrust zo snel mogelijk de kop in te drukken. Er wordt heel intensief gesurveilleerd, individuele leerlingen die zich misdragen worden streng aangepakt en de leerlingen met provocerende kleding wor-den met hun ouders op school uitgenodigd en zullen schriftelijk moeten verklaren dat ze er geen discriminerende ideeën op na houden.
Weigeren ze dit, dan zijn ze op school niet meer welkom.
(…)
f. Vanwege de betrokkenheid van [zoon] bij de in de nieuwsbrief bedoelde onrust is de vader door de school uitgenodigd voor een gesprek met haar adjunct-directeur op 24 januari 2003. Bij die gelegenheid heeft de schoolleiding aan de vader mee-gedeeld dat zij van hem en zijn zoon [zoon] verlangt dat zij een convenant onder-tekenen met de navolgende inhoud:
RK sg. T. maakt met (…) uit klas: (…)
de volgende afspraken:
1. Ik zal respectvol en zonder discriminatie met ieder ander omgaan.
2. Ik zal geen provocerend gedrag vertonen noch provocerende kleding dragen.
3. Ik laat het fietspad op het schoolplein vrij.
4. Ik zal actief betrokken zijn bij de veiligheid en de rust die er normaal bij T. heersen.
5. Ik houd me aan de schoolregels en het leerling-statuut.
De bovengenoemde afspraken hebben tot doel de rust en veiligheid bij [T.] te garanderen voor een ieder die leerling is of werk bij sg. [T.].
Wanneer de leerling zich niet aan de afspraak houdt, zal deze per direct een andere school moeten zoeken. (…)
g. Zowel [zoon] als zijn vader hebben geweigerd het convenant te tekenen. Dit heeft ertoe geleid dat [zoon] met ingang van 27 januari 2003 door de directie is ge-schorst.
h. Aan de zeven overige tot de groep van [zoon] behorende leerlingen en hun ouders is het convenant eveneens ter tekening voorgelegd. Zij hebben dit convenant allen wel getekend.
i. Bij brief d.d. 7 februari 2003 heeft de algemeen directeur van de school onder meer het volgende aan de raadsman van de vader be-richt:
(…) Door de weigering van uw cliënten het convenant te tekenen geven zij, mijns inziens, im-pliciet aan het gedrag van hun zoon goed te keuren. Na de schorsingstermijn is de verwijde-ringsprocedure gestart. Ik wil u toezeggen dat, indien de ouders alsnog bereid zijn tot het teke-nen van het convenant, de verwijderingsprocedure zal worden stopgezet. Vervolgens kan er worden overlegd over een terugkomst van [zoon] op school. Blijven de ouders bij hun weige-ring dan rest mij helaas geen andere mogelijkheid de procedure voort te zetten. (…)
j. Bij brief d.d. 21 februari 2003 heeft de school aan de raadsman van de vader mee-gedeeld:
(…)
Gezien het feit dat u niet gereageerd hebt op mijn e-mail van 17 februari, waarin ik u uitnodig-de om zelf met een voorstel voor een verklaring te komen in plaats van het tekenen van het door ons opgestelde convenant, moet ik helaas tot de conclusie komen dat u er niet op in wilt of kunt gaan.
In overleg met de inspectie zal ik, namens het bevoegde gezag, tot verwijdering van [zoon] overgaan per 1 augustus 2003. Hangende die verwijdering wordt het [zoon] niet toegestaan zich in of om de school op te houden.
(…)
Namens het bevoegde gezag,
hoogachtend,
algemeen directeur
Naar deze brief zal hierna worden verwezen als 'het verwijderingsbesluit'.
k. Teneinde de rechten en plichten van haar leerlingen te regelen hanteert de school het 'Leerlingen Statuut R.K. Scholengemeenschap [T.]' (hierna als 'het Leer-lingenstatuut' aan te duiden).
3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vader vordert, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. de Stichting zal veroordelen [zoon] terstond na de betekening van dit vonnis toe te laten en toegelaten te houden tot de R.K. Scholengemeenschap [T.] te U. en hem toe te laten de lessen te volgen, zulks op verbeurte van een dwang-som van € 5.000,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de school nalatig blijft aan het vonnis te voldoen;
b. de Stichting zal veroordelen [zoon] in de gelegenheid te stellen achterstallig on-derwijs - voor zover noodzakelijk voor de voorbereiding van tentamens, proef-werken en dergelijke, kortom alle noodzakelijke activiteiten die van belang zijn voor de bepaling van zijn eindexamencijfers - alsnog in te lopen en voorts achter-stallige proefwerken, tentamens c.a. alsnog in te halen;
c. de Stichting zal veroordelen in de kosten van deze procedure.
Stellende daarbij een spoedeisend belang te hebben legt de vader aan zijn vordering het volgende ten grondslag.
3.2 In de eerste plaats is het besluit tot definitieve verwijdering van [zoon] een onbe-voegd genomen besluit nu dit niet door het bevoegde gezag is genomen, maar door een individuele directeur van een school. Ook is niet gebleken dat het bevoegd gezag ervoor heeft zorg gedragen dat een andere school of instelling bereid is [zoon] toe te laten, terwijl ingevolge artikel 27 lid 1 WVO het bevoegd gezag hiertoe gehouden is in geval van definitieve verwijdering van een leerplichtige leerling zoals [zoon]. Daarnaast is niet gebleken dat overleg met de onderwijsinspectie heeft plaatsgehad en zijn [zoon] en zijn ouders niet door of namens de Stichting gehoord.
3.3 Ofschoon de vader rechts-extremistische sympathieën afkeurt kan hij zich niet verenigen met de door de school gekozen maatregel van ondertekening van het con-venant op straffe van verwijdering van de school. De school heeft niet eerder dan bij het hiervoor onder 2.f. genoemde gesprek aan de vader kenbaar gemaakt dat er met betrekking tot [zoon] sprake was van problemen die van dien aard waren dat ernstige maatregelen werden overwogen. Ook is [zoon] niet eerder gewaarschuwd dat zijn ge-drag tot maatregelen zou leiden. Aan de beoogde verwijdering van [zoon] ligt boven-dien de weigering van diens ouders om het convenant te tekenen ten grondslag, terwijl een zodanige verwijdering alleen kan zijn gebaseerd op het gedrag van de betreffende leerling. Tenslotte is definitieve verwijdering een onevenredig zware sanctie nu [zoon] bezig is met het laatste jaar van zijn opleiding en hij over enkele maanden tentamens en examens dient af te leggen.
4. Het verweer en de slotsom daarvan
De Stichting heeft tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing daarvan met veroordeling van de vader in de kosten van het geding. Op dit verweer zal, voorzover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader wor-den ingegaan.
5. De gronden van de beslissing
Formele aspecten van het verwijderingsbesluit
5.1 Ten aanzien van de door de vader naar voren gebrachte klacht dat het besluit tot definitieve verwijdering van [zoon] onbevoegdelijk is genomen, wordt als volgt overwogen.
5.2 Uitgangspunt is dat de bevoegdheid om te beslissen over de verwijdering van een leerling ingevolge artikel 160 lid 1 WVO berust bij de Stichting in haar hoedanigheid van bevoegd gezag. Dat de algemeen directeur van de school het hiervoor onder 2.j. genoemde verwijderingbesluit heeft getekend, bevoegd was ten deze de Stichting te vertegenwoordigen is vooralsnog niet gebleken. In dit verband is in de eerste plaats van belang dat tussen partijen vaststaat dat de algemeen directeur geen lid is van het bestuur van de Stichting. Voorts volgt uit de overgelegde 'Bijzondere volmacht aan directie' niet dat daarbij de bevoegdheid tot definitieve ver-wijdering van een leerling, voor wat betreft de school, aan de algemeen directeur zou zijn gedelegeerd. Ingevolge artikel II.c. van deze volmacht heeft het bestuur van de Stichting 'de IRIS-directie' gevolmachtigd tot onder meer het vaststellen en uitvoeren van beleid met betrekking tot de verwijdering van leerlingen, terwijl de aanhef van deze volmacht bepaalt dat een daartoe strekkende rechtshandeling door twee leden van de IRIS-directie moet worden verricht en dat daarvan dient te blijken door twee rechtsgeldig geplaatste handtekeningen. Daargelaten of de algemeen directeur lid is van de IRIS-directie - naar gesteld bestaat deze directie uit de directeuren van de zes onder de Stichting ressorterende scholen en een voorzitter - moet worden geconcludeerd dat een besluit tot verwijdering van een leerling op grond van deze volmacht in ieder ge-val niet door de algemeen directeur van de school zelfstandig kan worden genomen. Het overgelegde 'directiestatuut' van de Stichting leidt voorts niet tot een ander oor-deel nu daaruit niet meer valt op te maken dan dat de IRIS-directie (en dus niet de di-rectie van een afzonderlijke school) bevoegd is omtrent het beleid inzake het verwij-deren van leerlingen te beslissen, in welke bevoegdheid die tot het nemen beslissingen in het kader van de uitvoering van het beleid overigens begrepen kan worden geacht.
5.3 Op grond van het vorenstaande moet voorshands worden geoordeeld dat de algemeen directeur van de school niet bevoegd was tot definitieve verwijdering van [zoon] te besluiten, zodat de genomen maatregel in zoverre gebrekkig is.
5.4 De vader kan niet worden gevolgd in zijn klacht dat de Stichting niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 27 lid 1 WVO op haar rustende verplichting tot het zoeken van een andere school die bereid is [zoon] als leerling toe te laten. De Stichting heeft ter zitting onbetwist aangevoerd dat het College te Haarlem in beginsel be-reid is gevonden [zoon] aldaar zijn eindexamen te laten doen en dat hij in de tussen-liggende periode eenmaal per week werkinstructies op de school kan afhalen. De Stichting heeft zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aldus in voldoende mate van de zoëven genoemde verplichting gekweten. Dat [zoon] aldus niet in de gelegenheid wordt gesteld tot deelname aan het onderwijs van het College doet hier, anders dan de vader heeft betoogd, niet aan af nu vaststaat dat [zoon] slechts enkele maanden van zijn eindexamen is verwijderd en het aanbod van de school om wekelijks werkinstructies af te halen als een redelijke mogelijkheid kan worden beschouwd om deze periode te overbruggen, te meer nu de onderwijsinspectie met deze gang van zaken heeft ingestemd, zoals blijkt uit de niet weersproken inhoud van een e-mailbericht d.d. 21 februari 2003 van de algemeen directeur van de school aan de raadsman van de vader. De op dit punt geuite klacht faalt derhalve.
5.5 Evenmin slaagt de klacht dat de ouders van [zoon] voorafgaand aan het besluit tot diens definitieve verwijdering niet overeenkomstig het Leerlingenstatuut door of na-mens het schoolbestuur zijn gehoord. In artikel 30 lid 1 van het Leerlingenstatuut en het daarmee strokende artikel 14 lid 1 van het Inrichtingsbesluit WVO is - voor zover hier van belang - bepaald 'dat het bevoegd gezag' kan besluiten tot definitieve verwij-dering van een minderjarige leerling nadat de betreffende leerling en zijn of haar ou-der(s) in de gelegenheid is (zijn) gesteld hierover te worden gehoord. In aanmerking genomen dat de vader op 24 januari 2003 een gesprek met de adjunct-directeur van de school heeft gehad en de vader geen gebruik heeft gemaakt van de door de algemeen directeur van de school bij brief d.d. 7 februari 2003 en e-mailbericht d.d. 10 februari 2003 geboden mogelijkheid om met hem een gesprek te hebben, moet op voorhand worden geoordeeld dat de ouders van [zoon] genoegzaam in de gelegenheid zijn ge-steld omtrent de voorgenomen verwijdering van [zoon] te worden gehoord. Anders dan de vader lijkt te veronderstellen doet hier niet aan af dat hij niet in de gelegenheid is gesteld door (het bestuur van) de Stichting of een door haar gevolmachtigde te wor-den gehoord aangezien een dergelijke verplichting niet in artikel 14 lid 1 Inrichtings-besluit WVO of het Leerlingenstatuut is vervat.
5.6 Ook faalt de klacht dat niet is gebleken dat het in artikel 14 lid 2 Inrichtingsbesluit WVO en artikel 30 lid 2 van het Leerlingenstatuut voorgeschreven overleg met de on-derwijsinspectie heeft plaatsgevonden. De Stichting heeft gesteld dat de algemeen di-recteur van de school terzake de definitieve verwijdering van [zoon] overleg met de inspectie heeft gevoerd. Dat is door de vader niet is betwist.
Inhoudelijke aspecten van het verwijderingbesluit
5.7 Waar het verwijderingbesluit ertoe dient een sanctie te stellen op het gegeven dat [zoon] en zijn vader zich niet hebben willen conformeren aan onder meer de door de school voorgestane beperking in de vrije kledingkeuze van haar leerlingen in een situ-atie waarin die keuze wordt gebruikt, althans het resultaat daarvan wordt opgevat, als identificatie met bepaald gedachtengoed, raakt dit besluit aan het in artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde grondrecht op vrijheid van meningsuiting. Nu van beide bepalingen in het onderhavige geval artikel 7 van de Grondwet de verst strekkende bescherming biedt zal de maatregel hierna aan de door deze bepaling gestelde maatstaven worden getoetst.
5.8 Artikel 7 lid 3 van de Grondwet bepaalt dat voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere middelen dan de drukpers, radio of televisie niemand vooraf-gaand verlof nodig heeft wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoorde-lijkheid volgens de wet. Deze bepaling brengt mee dat een door de school opgelegde beperking die een verdergaande functie heeft dan het enkel herhalen en onder de aan-dacht brengen van een in het Wetboek van Strafrecht opgenomen verbod er niet toe kan strekken een door artikel 7 lid 3 van de Grondwet bedoelde uiting wegens haar inhoud te verbieden. Beperkingen van de uitingsvrijheid op andere gronden, zoals het voorkomen van wanordelijkheden, vallen daarentegen buiten de reikwijdte van dat ar-tikel en zijn daarom in beginsel niet ontoelaatbaar.
5.9 Bij de beoordeling van de door de school genomen maatregel moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de aanleiding voor het treffen van de maatregel en anderzijds de aard van deze maatregel.
5.10 De aanleiding voor de maatregel wordt gevormd door het ontstaan van onrust binnen een deels allochtone leerlingengemeenschap ten gevolge van rechts-extremistische ui-tingen van een tot die gemeenschap behorende groep leerlingen. Gegeven de aard van deze problematiek komt in de keuze van daartegen te treffen maatregelen aan de Stichting, en daarmee aan de schoolleiding, een zekere vrijheid toe, hetgeen impliceert dat dat de noodzaak en functionaliteit van de door de schoolleiding genomen maatre-gel om op straffe van verwijdering van school de ondertekening van het hiervoor on-der 2.f. genoemde convenant te verlangen door de rechter marginaal dienen te worden getoetst.
5.11 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de maatregel de hiervoor bedoelde marginale toets kan doorstaan. Daartoe is het volgende redengevend. Vooraleerst heb-ben de mentor en de leerlingbegeleider van [zoon] - die beiden ter terechtzitting als informanten zijn gehoord - aannemelijk gemaakt dat de groep leerlingen waartoe [zoon] behoort door rechts-extremistische uitingen een groep medeleerlingen van al-lochtone afkomst hebben geprovoceerd - en ook meer algemeen gezegd de drijvende kracht is achter de ontstane onrust - en dat sommige leden van de groep er zelfs ge-noegen in scheppen dat hun provocaties tot die onrust hebben geleid. Nu de school medio januari 2003 tientallen telefoontjes heeft ontvangen van ouders die aangaven dat hun kinderen zich vanwege de problemen tussen beide groepen op school onveilig en bedreigd voelden, heeft de schoolleiding heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gedrag van de groep waartoe [zoon] behoort correctie behoeft.
5.12 Ten aanzien van de aard van de maatregel is van belang dat zowel [zoon] als zijn vader ter terechtzitting hebben aangegeven dat zij op zichzelf bereid zijn een conve-nant te tekenen, maar dat het daarin opnemen van een beperking van de vrijheid van [zoon] om zijn kleding te kiezen voor hen niet acceptabel is. Gelet hierop dient de be-oordeling van de aard van de maatregel zich op dit punt te concentreren. Overwogen wordt als volgt.
5.13 De Stichting heeft de op het kleedgedrag van de leerlingen betrekking hebbende tweede afspraak uit het convenant ter terechtzitting toegelicht door te benadrukken dat de schoolleiding bewust niet heeft gekozen voor het verbieden van bepaalde kleding of haardracht, maar voor het verbod op een combinatie van kleding en gedrag met als doel te provoceren en discrimineren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het een feit van algemene bekendheid dat de uiterlijke combinatie van gemillimeterd haar, een 'bomberjack', een zwarte trui van het merk Lonsdale, een spijkerbroek en zwarte legerschoenen in de (Nederlandse) samenleving wordt geassocieerd met ex-treemrechtse en/of neonazistische opvattingen. Het gevolg hiervan is dat aan de drager van deze combinatie rechts-extremistische opvattingen kunnen worden toegedicht die deze persoon in werkelijkheid wellicht niet aanhangt. Aannemelijk is verder dat de kans op associatie met rechts-extremistische opvattingen en een daarvan uitgaand dreigend effect sterk wordt bevorderd wanneer dragers van de hiervoor bedoelde ui-terlijke combinatie zich als groep manifesteren.
5.14 In het licht van het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het voorschrijven van beperkingen op het vlak van voormelde combinatie van uiterlijke kenmerken, juist ge-geven de uitstraling die van deze combinatie uitgaat, op zichzelf een proportionele en daarmee toelaatbare maatregel. Dat de maatregel zinvol is wordt geïllustreerd doordat de rust op de school is wedergekeerd nadat de zeven overige tot groep van [zoon] be-horende leerlingen ervan hadden afgezien genoemde combinatie te dragen, zoals ter terechtzitting door de Stichting onweersproken is opgemerkt.
5.15 De wijze waarop de schoolleiding deze wijziging in het kleedgedrag van haar leerlingen heeft willen bewerkstelligen is evenwel niet aanvaardbaar te achten. Indien de schoolleiding kledingvoorschriften wil opleggen kan zij dat in redelijkheid niet doen door onder dreiging van verwijdering een convenant ter tekening voor te leggen aan een groep leerlingen die bij de schoolleiding op een bepaald moment de behoefte aan zodanige voorschriften heeft doen voelen. Dat geldt temeer nu artikel 16 van het Leerlingenstatuut de schoolleiding een weg biedt waarlangs zij voorschriften terzake uiterlijk en kleding kan doorvoeren. Deze weg waarborgt niet alleen dat door het ho-ren van de leerlingenraad wordt nagegaan wat nodig en zinvol is maar leidt ook tot beperkingen die voor alle leerlingen gelijkelijk gelden, hetgeen een eis is waaraan ze-ker een maatregel op een vlak als hier aan de orde, behoort te voldoen.
5.16 Voor zover het bezwaar tegen tekening van een convenant met daarin vervatte kledingvoorschriften berust op het feit dat de schoolleiding aldus voor een slechts be-perkte groep leerlingen commitment of binding aan aparte regels beoogt te bewerk-stelligen, wordt dat bezwaar dan ook valide geacht.
Slotsom
5.17 Al het voorgaande leidt ertoe dat het besluit om [zoon] van school te verwijderen en hangende de effectuering van die verwijdering geschorst te houden zowel op formele als inhoudelijke gronden onrechtmatig moet worden geacht. De door de school aange-voerde belangen bij handhaving van de door haar uitgezette beleidslijn wegen niet zo zwaar dat ze onder de geschetste omstandigheden een voortzetting van de schorsing van [zoon] kunnen dragen. De slotsom is dan ook dat de gevraagde voorziening dient te worden toegewezen.
5.18 Aan de veroordeling tot wedertoelating van [zoon] tot de school zal geen dwangsom worden verbonden omdat de voorzieningenrechter er niet aan twijfelt dat de Stichting zich naar deze beslissing zal richten. Teneinde de schoolleiding in de gelegenheid te stellen de terugkeer van [zoon] op school voor te bereiden zal aan deze veroordeling tevens na te melden termijn worden verbonden.
5.19 De Stichting zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter:
6.1 Veroordeelt de school [zoon] uiterlijk drie dagen na de betekening van dit vonnis toe te laten en toegelaten te houden tot de R.K. Scholengemeenschap [T.] te U. en hem toe te laten de lessen te volgen.
6.2 Veroordeelt de school [zoon] binnen de grenzen van het mogelijke in de gelegenheid te stellen achterstallig onderwijs - voor zover noodzakelijk voor de voorbereiding van tentamens, proefwerken en dergelijke, kortom alle noodzakelijke activiteiten die van belang zijn voor de bepaling van zijn eindexamencijfers - alsnog in te lopen en voorts achterstallige proefwerken, tentamens c.a. alsnog in te halen.
6.3 Veroordeelt de school in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van eisende partij begroot op € 286,16 aan verschotten en € 703,36 aan salaris voor de procureur.
6.4 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
6.5 Wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman, voorzieningenrechter van deze recht-bank, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 21 maart 2003, in tegen-woordigheid van de griffier.