Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF5276

Datum uitspraak2002-12-19
Datum gepubliceerd2003-03-06
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 02/80597
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewaring / staandehouding / uitzetting. Gedurende de ophouding van eisers had verweerder de voorbereidingen van de uitzetting van de vreemdelingen ter hand genomen en was derhalve sprake van een voornemen tot uitzetting. Uit de uitspraak van de Afdeling d.d. 29 mei 2001 volgt niet dat eisers geen recht op een daadwerkelijk te effectueren rechtsmiddel toekomt om vooraf op te komen tegen de uitzetting. Ook artikel 13 EVRM brengt met zich mee dat er een mogelijkheid moet zijn om vooraf een rechtsmiddel aan te wenden om de uitzetting te voorkomen. Eisers zijn ex artikel 50 Vw 2000 staandegehouden en opgehouden in een politiebus. Sommigen zijn in de gelegenheid gesteld twee minuten met een advocaat te spreken al dan niet met behulp van een tolk, terwijl anderen in het geheel niet met een advocaat hebben kunnen spreken. Hier kan niet gesproken worden van een daadwerkelijke verlening van rechtsbijstand aan eisers. Ook overigens zijn eisers niet gewezen op de mogelijkheid tot het instellen van een rechtsmiddel. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in strijd met artikel 13 EVRM heeft gehandeld om welke reden het handelen van verweerder ex artikel 50 Vw 2000 onrechtmatig is. Verweerder heeft niet middels een schriftelijk verslag aangetoond dat de afzonderlijke verblijfplaatsen waar eisers zijn staandegehouden, met volledige instemming van bewoners zijn betreden en kan het alsnog door verweerder overgelegde mutatierapport waarin de binnentreding van het pand zonder toestemming wordt beschreven, niet beschouwd worden als een ‘schriftelijk verslag’ als bedoeld in artikel 10 Awbi. Dit leidt ertoe dat het binnentreden bij de controle geacht wordt onbevoegd te hebben plaatsgevonden, waaruit tevens voortvloeit dat de staandehouding en ophouding van eisers onrechtmatig dient te worden geacht. Beroep gegrond.


Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken Uitspraak op grond van artikel 8:73 van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) reg.nrs.: AWB 02/80597 VRONTN, AWB 02/80586 VRONTN, AWB 02/80608 VRONTN, AWB 02/80503 VRONTN, AWB 02/80559 VRONTN, AWB 02/80553 VRONTN, AWB 02/80528 VRONTN, AWB 02/80541 VRONTN, AWB 02/80506 VRONTN, AWB 02/80534 VRONTN, AWB 02/80499 VRONTN, AWB 02/80581 VRONTN, AWB 02/80566 VRONTN, AWB 02/80575 VRONTN, AWB 02/80568 VRONTN, AWB 02/80520 VRONTN, AWB 02/80524 VRONTN, AWB 02/80516 VRONTN, AWB 02/80602 VRONTN, AWB 02/80600 VRONTN, AWB 02/80510 VRONTN, AWB 02/80508 VRONTN, AWB 02/80514 VRONTN, AWB 02/80519 VRONTN, AWB 02/80529 VRONTN, AWB 02/80535 VRONTN, AWB 02/80589 VRONTN, AWB 02/80525 VRONTN, AWB 02/80594 VRONTN, AWB 02/80549 VRONTN, AWB 02/80495 VRONTN. inzake: A, geboren op [...] 1967, B, geboren op [...] 1982, C, geboren op [...] 1941, D, geboren op [...] 1959, E, geboren op [...] 1958, F, geboren op [...] 1954, G, geboren op [...] 1955, H, geboren op [...] 1958, I, geboren op [...] 1956, J, geboren op [...] 1971, K, geboren op [...] 1980, L, geboren op [...] 1979, M, geboren op [...] 1975, N, geboren op [...] 1976, O, geboren op [...] 1954, P, geboren op [...] 1963, Q, geboren op [...] 1961, R, geboren op [...] 1956, S, geboren op [...] 1974, T, geboren op [...] 1975, U, geboren op [...] 1976, V, geboren op [...] 1978, W, geboren op [...] 1971, X, geboren op [...] 1977, Y, geboren op [...] 1970, Z, geboren op [...] 1973, AA, geboren op [...] 1948, BB, geboren op [...] 1973, CC, geboren op [...] 1978, DD, geboren op [...] 1970, EE, geboren op [...] 1961, allen van Oekraïense nationaliteit, eisers, gemachtigden: mr. M.J.A. Leijen en mr. L.B. Vellenga, advocaten te Alkmaar, tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde: A.H. Kras, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Op 22 oktober 2002 zijn eisers op grond van artikel 50 van de Vw 2000 staandegehouden en opgehouden. Bij beroepschriften van 22 oktober 2002 hebben eisers beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder tot oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel. Daarbij is opheffing van de ophouding gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding en veroordeling van verweerder in de proceskosten. Op 23 oktober 2002 zijn eisers uitgezet naar Kiev, Oekraïne Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 19 november 2002. Eisers zijn aldaar vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Ter zitting zijn de bovenstaande zaken gevoegd behandeld. Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen. Verweerder en de gemachtigden van eisers hebben daarbij toestemming aan de rechtbank verleend om na ontvangst van deze stukken en de reactie namens eisers het onderzoek zonder nadere zitting te sluiten. Verweerder heeft bij brief van 20 november 2002 de rechtbank de stukken doen toekomen. Gemachtigden van eisers hebben hierop gereageerd bij brief van 22 november 2002. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek zonder nadere zitting gesloten. II. FEITEN 1. Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 november 2002, opgemaakt door verbalisanten Hooiveld en Van Houten, blijkt het volgende. Tijdens een gezamenlijke actie van de Vreemdelingendienst Noord-Holland Noord en de IND op 22 oktober 2002 zijn vanaf 18.00 uur op verschillende adressen in de politieregio Noord-Holland Noord controles gehouden. Hierbij zijn op de campings/pensions: FF te ‘t Zand , GG te Den Helder , HH te Wieringerwaard, II te Andijk en JJ te Wijdenes, 58 personen met de Oekraïense nationaliteit ex artikel 50 van de Vw 2000 staandegehouden in verband met een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Tot het moment van overbrenging naar een politiebureau werden de vreemdelingen tijdelijk geplaatst in een gereed staande cellenbus van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DVO). Omdat de identiteit van deze staande gehouden personen onmiddellijk kon worden vastgesteld zijn zij op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 overgebracht naar het politiebureau te Den Helder of Hoorn. Door de DVO zijn deze personen op 23 oktober 2002, ten behoeve van hun uitzetting, overgebracht naar Schiphol, alwaar ze op 23 oktober 2002 om 3.30 uur zijn uitgezet naar Kiev. 2. Op 21 oktober 2002 om 20.40 uur is de piketcentrale Amsterdam door de Vreemdelingendienst schriftelijk per fax op de hoogte gebracht van de te houden controle op 22 oktober 2002 ’s avonds. Gemachtigde Vellenga heeft zich op 22 oktober 2002 ’s avonds bij het politiebureau te Hoorn gemeld, alwaar zij in de gelegenheid is gesteld te spreken met twaalf personen, en wel twee minuten per persoon. Gemachtigde Leijen heeft zich op 23 oktober 2002 ’s avonds bij het politiebureau te Den Helder gemeld en heeft geen toegang gekregen tot de aldaar opgehouden vreemdelingen. III. STANDPUNTEN PARTIJEN Namens eisers is aangevoerd dat de vrijheidsbeneming op grond van artikel 50 van de Vw 2000 onrechtmatig is geweest om de volgende redenen: 1.1 Het recht op rechtsbijstand is geschonden. Nergens uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 november 2002, opgesteld door verbalisanten Hooiveld en Van Houten, blijkt dat betrokkenen zijn gewezen op hun recht op rechtsbijstand. De advocaten die na melding van de piketcentrale aanwezig waren, zijn niet in de gelegenheid gesteld om effectief te kunnen optreden. Er was geen mogelijkheid tot effectieve rechtsbijstand waardoor betrokkenen niet in staat gesteld zijn om op te komen tegen de beëindiging van hun rechtmatig verblijf c.q. de annulering van de visa (van eisers U, T, P en Y) en de uitzetting. Dit klemt te meer daar er sprake was van collectieve uitzetting, waarbij geen individuele benadering heeft plaatsgevonden, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat er slechts een algemeen proces-verbaal van bevindingen voorhanden is. Betrokkenen hadden op de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel gewezen kunnen worden door de aanwezige rechtshulp. Het is echter onmogelijk geweest de uitzetting aan te vechten omdat het leveren van rechtsbijstand werd gefrustreerd. Aangezien als gevolg van het handelen door de Vreemdelingendienst geen daadwerkelijke rechtsbijstand heeft plaatsgevonden dient de ophouding, de detentie in de bus, als onrechtmatig te worden aangemerkt. 1.2. Vrijheidsbeneming/uitzetting zonder mogelijkheid van effectieve toetsing Het feit dat eisers effectieve rechtsbijstand is onthouden en eisers daar volgens de Vw 2000 en Vb 2000 wel recht op hebben, maakt dat de periode van ophouding/detentie niet heeft plaatsgevonden conform de wet. Er is derhalve strijd met artikel 5 van het vierde protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu eisers niet in de gelegenheid zijn gesteld om tegen hun ophouding/detentie een rechtsmiddel in te stellen. Verwezen wordt naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Conka v. België d.d. 5 februari 2002, JV 2002 nr. 117. Tevens is sprake van schending van artikel 13 van het EVRM. De in dit artikel neergelegde eis van een effectief rechtsmiddel brengt met zich mee dat er een mogelijkheid moet zijn om een rechtsmiddel aan te wenden dat de tenuitvoerlegging van maatregelen die tot onomkeerbare gevolgen zouden kunnen leiden, kan voorkomen. 1.3. Detentie van eisers U, T, P en Y terwijl er sprake was van rechtmatig verblijf. Van vier van de eisers is vast komen te staan dat zij een geldig visum hadden. Twee daarvan (T en U) zonden hun gemachtigde vanuit de Oekraïne per fax een kopie van het paspoort met het geldige visum. Namens hen is door de gemachtigde een bezwaar tegen de annulering van de visa ingediend. Tevens is een verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar ingediend, welk verzoek thans ook ter zitting is behandeld. Deze vier eisers hadden rechtmatig verblijf in Nederland. Zelfs al zou mogen worden aangenomen dat er een meldplicht is voor eisers, dan hebben ze daaraan voldaan. Zij vallen namelijk onder artikel 4:48, derde lid, sub b van het Vb 2000. De eigenaren van de campings c.q. pensions waar eisers verbleven vallen onder deze regeling. Zij zijn krachtens gemeentelijke verordening verplicht aan de daartoe aangewezen autoriteit kennis te geven van het verschaffen van nachtverblijf aan personen. Indien de gemeenten niet voldoen aan hun verplichtingen, valt dit eisers niet te verwijten. 1.4. Binnentreden / schending privacy Zelfs al was er voldoende aanleiding om binnen te treden dan is de wijze waarop in de privé-sfeer van betrokkenen is getreden in strijd met artikel 8 van het EVRM en de Algemene wet op het binnentreden (Awbi). Bij binnentreding dienen de uitgangspunten van de Awbi in acht te worden genomen. Dat houdt in dat de binnentreder zich voorafgaand dient te legitimeren, het doel van het bezoek kenbaar dient te maken en toestemming dient te vragen voor het binnentreden. Uit het proces-verbaal blijkt volstrekt onvoldoende dat bij iedere eiser hieraan is voldaan. 1.5. Schadevergoeding Per eiser wordt gelet op het vorenstaande naast een bedrag voor vrijheidsbeneming, een bedrag gevraagd waarmee zij een nieuwe reis naar Europa kunnen ondernemen (inclusief de kosten van een visum). Het bedrag wordt totaal gesteld op € 1500 ,-- per persoon. Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. 2.1. Het recht op rechtsbijstand De piketcentrale, hoewel verweerder daartoe niet gehouden was, is reeds op 21 oktober 2002, dus een dag voor de actie, op de hoogte gesteld. Tijdens de ophouding hebben de vreemdelingen ieder twee minuten met de gemachtigden kunnen spreken. 2.2 Mogelijkheid van effectieve toetsing Weliswaar is door de verbalisanten niet gewezen op de mogelijkheid om tegen de ophouding een rechtsmiddel aan te wenden maar dit kan niet tot onrechtmatigheid leiden. Immers, eisers zijn in de gelegenheid gesteld om met gemachtigden te spreken en tevens is door de gemachtigden op 22 oktober 2002, de dag van de ophouding, daadwerkelijk beroep ingesteld. De vreemdelingen zijn dus niet in hun belangen geschaad door het achterwege laten van de mededeling dat beroep mogelijk was. 2.3. Personen met een rechtmatig ververblijf. Vast is komen te staan dat de vreemdelingen P, U, T en Y ten tijde van de staandehouding in het bezit waren van een geldig visum. Dit wil echter niet zeggen dat zij daardoor van rechtswege rechtmatig verblijf hier te lande bezaten. Zij hadden zich binnen drie dagen na binnenkomst ex artikel 4.48 van de Vb 2000 dienen aan te melden bij de korpschef. De meldplicht lag niet bij de campings/pensions waar zij verbleven. Deze campings / pensions waren zogenaamde niet-registerhoudende campings/pensions. Derhalve dienen de aldaar verblijvende vreemdelingen zich binnen drie dagen na binnenkomst te melden bij de korpschef. De visa zijn dan ook terecht geannuleerd, nu niet is gebleken dat zij binnen drie dagen hebben voldaan aan deze meldplicht. Wel wordt erkend dat niet op de mogelijkheid tot aanwending van rechtsmiddelen tegen de annulering van de visa is gewezen. 2.4. Binnentreden. Bij de acties op campings c.q. pensions FF , GG, HH en II zijn de verbalisanten vrijwillig toegelaten. Voorafgaand hebben zij zich gelegitimeerd en het doel van de controle meegedeeld. Het schriftelijke verslag van binnentreding is neergelegd in het proces-verbaal van verbalisanten Hooiveld en Van Houten. Tijdens de actie bij pension JJ te Wijdenes is wel gebruik gemaakt van machtigingen voor de afzonderlijke kamers en de caravan omdat hier geen toestemming tot binnentreding werd verleend door de bewoners. Ook hier hebben de verbalisanten zich voorafgaand aan de actie gelegitimeerd en het doel van de controle meegedeeld. Achteraf is dit binnentreden neergelegd in een zogenaamd mutatieformulier van de vreemdelingendienst van 21 oktober 2002, dat alsnog aan de rechtbank is overgelegd. IV. OVERWEGINGEN 1. De rechtbank is van oordeel dat er ten aanzien van eisers, gelet op het onder II.1. genoemde proces-verbaal van bevindingen, sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Hierin staat gerelateerd dat de politieregio Noord-Holland Noord met zeer grote regelmaat geconfronteerd wordt met vreemdelingen van Oekraïense nationaliteit, welke niet rechtmatig in Nederland verblijven en zich schuldig maken aan strafbare feiten. Blijkens informatie verblijven deze personen op campings en pensions. Uit eerdere controles en onderzoek van de Vreemdelingendienst te Den Helder en Hoorn is tevens gebleken dat op de bovenstaande campings/pensions vaak niet-rechtmatig in Nederland verblijvende personen van Oekraïense nationaliteit verblijven. 2. De rechtbank stelt voorts vast dat eisers na de ophouding niet in bewaring zijn gesteld, maar zijn uitgezet naar Kiev, Oekraïne Derhalve ligt slechts de vraag ter toetsing of de ophouding rechtmatig heeft plaatsgevonden en of er gronden zijn om schadevergoeding toe te kennen. 3. De rechtbank begrijpt eisers onder III.1.1. geformuleerde grief met betrekking tot schending van het recht op rechtsbijstand aldus, dat door de onder II. beschreven handelwijze van verweerder aan hen de mogelijkheid is onthouden om daadwerkelijk en op effectieve wijze op te komen tegen de aansluitend op de ophouding volgende uitzetting. Daarmee is, zo betogen eisers in de onder III.1.2. weergegeven grief, het in artikel 13 van het EVRM neergelegde recht op een ‘effective remedy’ geschonden, dat wil zeggen dat eisers de mogelijkheid is ontnomen een rechtsmiddel aan te wenden tegen de tenuitvoerlegging van de uitzetting. De rechtbank acht deze grief gegrond. Daartoe is het volgende redengevend. 4. De rechtbank stelt voorop dat in de onderhavige procedure de uitzetting als zodanig niet aan de orde is. De uitzetting is immers, zo volgt -voor zover hier van belang- uit artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, als feitelijke handeling appellabel. Voorts vloeit, naar het oordeel van de rechtbank, uit de Vw 2000 noch uit enige andere aanverwante regeling dwingend voort dat op verweerder de plicht rust vreemdelingen die opgehouden zijn op grond van artikel 50 van de Vw 2000 te wijzen op het recht op rechtsbijstand of de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen die ophouding dan wel tegen de voorgenomen uitzetting. 5. De rechtbank stelt evenwel vast, onder verwijzing naar hetgeen onder II. is weergegeven, dat verweerder in casu gedurende de ophouding van eisers op grond van artikel 50 van de Vw 2000 de voorbereidingen van de uitzetting ter hand had genomen en dat er derhalve gedurende de ophouding sprake was van een voornemen tot uitzetting. 6. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) in haar uitspraak van 29 mei 2001 (JV 2001/166) heeft overwogen, is uitzetting op te vatten als bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 van de Awb. In diezelfde uitspraak heeft de Afdeling verder overwogen dat artikel 5:24 van de Awb niet van toepassing is op de uitzetting van vreemdelingen. Daaruit volgt echter niet dat eisers geen recht op een daadwerkelijk te effectueren rechtsmiddel toekomt om vooraf op te komen tegen de uitzetting. Ook artikel 13 van het EVRM brengt met zich mee verweerder een mogelijkheid moet scheppen om vooraf een rechtsmiddel aan te wenden dat de tenuitvoerlegging van maatregelen die tot onomkeerbare gevolgen zouden kunnen leiden, in casu de uitzetting van eisers, kan voorkomen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat in de Vw 2000, mede met het oog op artikel 13 EVRM, besloten ligt dat het voor de vreemdeling mogelijk moet zijn een rechtsmiddel aan te wenden in de vorm van indiening van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de onmiddellijk op handen zijnde uitzetting. 7. Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond van de onder II. vermelde feiten vast dat de op grond van artikel 50 van de Vw 2000 staandegehouden vreemdelingen met het oog op de op handen zijnde uitzetting ten dele zijn opgehouden in een bus, waarbij sommigen in de gelegenheid zijn gesteld twee minuten te spreken met een advocaat, al dan niet met behulp van een tolk, en anderen in het geheel geen contact hebben gehad met een advocaat omdat deze tot hen geen toegang kreeg. Onder deze omstandigheden kan niet van een daadwerkelijke verlening van rechtsbijstand aan eisers worden gesproken zoals door verweerder is gesteld. Voorts staat vast dat eisers ook overigens niet zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen hun op handen zijnde uitzetting een rechtsmiddel aan te wenden. 8. Onder deze omstandigheden waarbij de uitzetting van eisers direct op hun ophouding volgde, is de rechtbank van oordeel dat verweerder jegens eisers in strijd met artikel 13 van het EVRM heeft gehandeld, op grond waarvan het handelen van verweerder tijdens de ophouding als onrechtmatig dient te worden beschouwd. 9. Voor zover ten aanzien van de eisers P, U, T, en Y is komen vast te staan dat zij een geldig visum bezaten en dit visum geannuleerd is zonder dat zij in de gelegenheid zijn gesteld tegen dit besluit een rechtsmiddel in te stellen, overweegt de rechtbank dat dit in een aparte bezwaarprocedure betreft dient te worden beoordeeld. Eisers U en T hebben tegen de annulering van het visum een bezwaarschrift ingediend. Op het verzoek om een voorlopige voorziening terzake zal de rechtbank afzonderlijk beslissen. 10. Hoewel het vooroverwogene er reeds toe leidt dat het beroep gegrond dient te worden verklaard, ziet de rechtbank aanleiding de in III.1.4. geformuleerde grief met betrekking tot de gang van zaken van het binnentreden op de campings c.q. pensions FF, GG, HH, II en JJ te bespreken en overweegt hieromtrent het volgende. 11. Ingevolge het eerste lid van artikel 53 van de Vw 2000 zijn de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner, indien er op grond van feiten en omstandigheden, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden bestaat dat op deze plaats een vreemdeling verblijft die geen rechtmatig verblijf heeft. In een bijlage bij de brief van 10 mei 2000 van de Staatssecretaris van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (TK, 1999-2000, 26 732, nr. 11) wordt ten aanzien van artikel 53 van de Vw 2000 opgemerkt dat de Awbi van toepassing is. 12. In artikel 1, eerste lid, van de Awbi is - onder meer - bepaald dat degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering van een wettelijk voorschrift of met het toezicht op de naleving daarvan, dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsbeneming uitoefent, en uit dien hoofde in een woning binnentreedt, verplicht is zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. In het vierde lid van genoemd artikel is bepaald dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, die met toestemming van de bewoner wenst binnen te treden, voorafgaand aan het binnentreden diens toestemming vraagt. De toestemming moet blijken aan degene die wenst binnen te treden. In artikel 10, eerste lid, van de Awbi is bepaald dat degene die zonder toestemming van de bewoner in een woning is binnengetreden, op zijn ambtseed of -belofte een schriftelijk verslag opmaakt omtrent het binnentreden. 13. De rechtbank stelt vast dat de dossiers en ook het onder II.1. genoemde algemeen proces-verbaal van bevindingen geen volledige vermelding bevatten van de gang van zaken met betrekking tot de binnentreding. Zo valt in het algemeen proces-verbaal van bevindingen slechts te lezen dat op de terreinen „na zich als zodanig te hebben gelegitimeerd en het doel van de controle te hebben meegedeeld“ de volgende personen zijn staande gehouden en dat „bij deze staande houding de collega’s, voor zover het binnentreden van caravans en recreatiewoningen betrof, vrijwillig werden toegelaten tot deze verblijven en er geen gebruik is gemaakt van een machtiging tot binnentreden“. Bij de controle van de camping FF te ’t Zand, pension II te Andijk en pension JJ te Wijdenes was een tolk in de Russische taal aanwezig, hetgeen echter niet is gebleken voor de controle van camping GG te Den Helder en camping HH te Den Helder. Bij de controle van pension JJ te Wijdenes werden de collega’s bij het binnentreden van een achter het pension staande caravan en kamers niet vrijwillig binnengelaten en is gebruik gemaakt van een machtiging tot binnentreden. 14. Weliswaar is in onderhavig geval door verweerder -onder verwijzing naar het algemeen proces-verbaal- gesteld dat met toestemming van de bewoners de campings c.q. pensions zijn betreden, maar dit brengt niet met zich mee dat degene die uit hoofde van zijn functie de woning heeft betreden, daarmee ontslagen wordt om hiervan schriftelijk verslag te doen. Een effectieve bescherming van het huisrecht van eiser en/of zijn huisgenoten brengt namelijk met zich mee dat de verslaglegging omtrent het binnentreden van een woning, al dan niet met toestemming van de bewoner, duidelijk en volledig wordt vastgelegd. Het feit dat het hier gaat om binnentreding van een caravan, recreatiewoning of pensionkamer maakt dit niet anders. Te allen tijde dient duidelijkheid te bestaan over het feit dat toestemming om binnen te treden is gevraagd en deze door de bewoner is verleend. In de Memorie van Toelichting bij de Awbi (p.10) wordt namelijk vermeld dat „het er om gaat dat de toestemming van de bewoner een voor de ambtenaar kenbare uiting moet zijn van zijn vrijelijk genomen beslissing om de ambtenaar binnen te laten“. Ook dient duidelijk te zijn of de toestemmingverlenende bewoners in een taal die zij konden verstaan zijn geïnformeerd en om toestemming tot binnentreden is gevraagd, hetgeen impliceert dat ook dit facet van de toestemmingsverkrijging middels een verslag wordt vastgelegd. 15. Nu verweerder niet middels een schriftelijk verslag kan aantonen dat de afzonderlijke verblijfplaatsen waar eisers zijn staandegehouden met volledige instemming van de bewoner zijn betreden, kan de bevoegdheid tot binnentreden nog slechts worden ontleend aan artikel 2 van de Awbi. Ingevolge dit artikel is voor het binnentreden van het pand zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist. Niet is weersproken dat van een dergelijke machtiging bij controle van campings c.q. pensions FF, GG, HH en II geen gebruik is gemaakt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat het binnentreden op deze plaatsen geacht moet worden onbevoegd te hebben plaatsgevonden, waaruit voortvloeit dat de nadien volgende staandehouding en ophouding van eisers op deze plaatsen om deze reden onrechtmatig dienen te worden geacht. 16. Met betrekking tot de binnentreding bij de controle van het pension JJ te Wijdenes heeft verweerder ter zitting de schriftelijke machtiging tot het binnentreden waarvan gebruik is gemaakt overgelegd. Behalve op (de kamers van) dit pension, was deze machtiging ook bestemd voor een achter dit pension staande caravan. Nadat de rechtbank het onderzoek ter zitting heeft geschorst, is verweerder alsnog in de gelegenheid gesteld een schriftelijk opgemaakt verslag van deze binnentreding zonder toestemming van de bewoner te overleggen, zoals bepaald in artikel 10, eerste lid, van de Awbi. De rechtbank verwijst naar hetgeen hieromtrent onder r.o. 12 is overwogen. 17. Verweerder heeft daarop een zogenaamd mutatierapport overgelegd, opgemaakt op 21 oktober 2002 door rapporteur B.J.F. Janssens, waarin het volgende staat vermeld: „Bij aanbellen zagen wij dat er meerdere personen in dit pand wegvluchtten, verder het pand in. Zij weigerden de deur te openen. Na enige minuten kwam de eigenaar van het perceel de voordeur openen. Na ons gelegitimeerd te hebben en ons doel van onze komst te hebben medegedeeld, vroeg hij of wij schriftelijke toestemming hadden om zijn perceel binnen te treden. Hierop heb ik, rapporteur Janssens, twee machtigingen tot het binnentreden in een woning getoond, geldig voor respectievelijk JJ, kamers 1 tot en met 8 van dit perceel. Hij verklaarde vervolgens deze machtigingen niet te kunnen lezen, omdat hij geen bril bij zich had. Ik, rapporteur Janssens, heb hem vervolgens meegedeeld dat dit twee machtigingen waren om zonder toestemming van de bewoner binnen te treden. Vervolgens zijn wij het pand binnen getreden en hebben in dit pand zes Oekraieners staandegehouden terzake de Vw, te 18.30 uur. Nadat bleek dat van vijf van hen het visum voor Nederland was verlopen en de zesde geen paspoort kon tonen zijn zij, nadat zij hun bagage hadden kunnen inpakken, overgebracht naar het politiebureau te Hoorn, alwaar wij om 20.15 uur aankwamen. Tijdens de staandehouding zijn vier kamerdeuren met geweld geopend, daar de daarin aanwezige personen deze weigerden te openen. De heer KK was wel aanwezig met de sleutels, doch deze bleken niet te passen. Schade is er aan alle vier de deuren ontstaan. Donderdag zal KK verslag krijgen van het binnentreden tegen de wil van de bewoner“. 18. Nog afgezien van het feit dat dit mutatierapport klaarblijkelijk de onjuiste datumvermelding van 21 oktober 2002 bevat, terwijl de onderhavige actie plaats vond op 22 oktober 2002, kan dit rapport niet als een schriftelijk verslag als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Awbi worden aangemerkt. Zo is niet duidelijk welke verbalisant aan welke kamerbewoner toestemming tot binnentreding heeft gevraagd en in welke taal. Ook ontbreekt de gang van zaken van binnentreding in de achter dit pension staande caravan. Het voorgaande leidt ertoe dat ook het binnentreden bij deze controle geacht moet worden onbevoegd te hebben plaats gevonden, waaruit voortvloeit dat de nadien volgende staandehouding en ophouding van eisers op deze plaats om deze reden onrechtmatig dient te worden geacht. 19. Gezien het overwogene in rechtsoverweging 8, 15 en 18 is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eisers gegrond dient te worden verklaard. Dit geldt ook voor eiser EE, ten aanzien waarvan ter zitting is vastgesteld dat deze persoon wel op 22 oktober 2002 in de bus is opgehouden en op 23 oktober 2002 is uitgezet, maar waarvan geen stukken door verweerder zijn overgelegd en deze persoon niet in het algemeen proces-verbaal van bevindingen staat vermeld. Nu verweerder hieromtrent geen opheldering heeft kunnen verschaffen, dient het ervoor te worden gehouden dat ook in zijn geval sprake is geweest van een onrechtmatig handelen door verweerder. 20. De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid om schadevergoeding toe te kennen als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb en wel tot een bedrag van € 100 ,-- per persoon. Hetgeen voor het overige als schadevergoeding is gevorderd dient te worden afgewezen, reeds omdat het causale verband met de onderhavige procedure ontbreekt. 21. Gelet op het voorgaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2415 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt per gemachtigde voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 2.5). V. BESLISSING: De rechtbank - verklaart het beroep gegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding in zoverre toe dat ten laste van de Staat der Nederlanden aan de eisers per persoon een schadevergoeding toekent van € 100,-- (zegge: honderd euro) te betalen door de griffier van de rechtbank; - wijst het verzoek tot schadevergoeding voor het overige af; - veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 2415,-- (zegge: vierentwintighonderdvijftien euro) onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Sassenburg, voorzitter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 19 december 2002 in tegenwoordigheid van mr. S.M. Jansen, griffier. Afschrift verzonden op: 27 december 2002 Conc.:SJ Coll: Bp: - D: B Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.