Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD9287

Datum uitspraak2001-11-01
Datum gepubliceerd2002-02-14
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsUtrecht
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/32804, 00/64631
Statusgepubliceerd


Indicatie

Mvv-vereiste / hardheidsclausule. De aanvraag om een verblijfsvergunning van eiser, een Ghanees, is door verweerder buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een geldige mvv. Hoewel het ontbreken van een mvv onder de Vw 2000 een afwijzingsgrond in plaats van een wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van een aanvraag is, brengt het karakter van het besluit naar het oordeel van de president met zich mee dat verweerder na heroverweging van dat besluit kan volharden bij het niet in behandeling nemen. Immers, met het nemen van het besluit om een aanvraag buiten behandeling te laten, komt in beginsel een einde aan het besluitvormingstraject. Dat door wetswijziging het ontbreken van een mvv niet langer een grond is voor een besluit om de aanvraag niet te behandelen, is niet een wijziging die bij de heroverweging ingevolge artikel 7:11 Awb bij het nemen van de beslissing op bezwaar in aanmerking moet worden genomen. Voor de beoordeling van het beroep is derhalve bepalend of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren de bij het mvv-vereiste behorende hardheidsclausule toe te passen. Naar het oordeel van de president heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de omstandigheden van dit geval geen aanleiding vormden om gebruik te maken van de hardheidsclausule. De president neemt daarbij in aanmerking de onredelijk lange duur van de legalisatieprocedure, het feit dat referente in die procedure uiteindelijk in het gelijk is gesteld en de omstandigheid dat referente alle mogelijke rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag om legalisatie en verificatie van haar geboorteakte, in combinatie met het feit dat zij ook via civiele procedures heeft getracht om aan de benodigde papieren te komen om te kunnen huwen. Beroep gegrond, toewijzing verzoek.


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE DEN HAAG zittinghoudende te Utrecht Reg.nrs.: AWB 01/32804 (beroepszaak) AWB 00/64631 (voorlopige voorziening) UITSPRAAK ex artikelen 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van de president, inzake het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening van: A, geboren op [...] 1964, van Ghanese nationaliteit, eiser/verzoeker, gemachtigde: mr. E.C. Gelok, advocaat te Rotterdam, tegen een besluit van de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. A.J.M. Veldkamp, werkzaam bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn te Den Haag. 1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE Bij beslissing van 15 juni 2001 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen zijn besluit van 8 september 2000 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 28 juli 2000 om hem een vergunning tot verblijf te verlenen buiten behandeling gesteld. Verzoeker heeft tegen de beslissing van 15 juni 2001 beroep bij deze rechtbank ingesteld. Verweerder heeft bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal blijven. Bij verzoekschrift van 25 september 2000 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het bezwaar is beslist. Verzoeker heeft de rechtbank bij brief van 12 juli 2001 verzocht het petitum van het reeds ingediende verzoekschrift thans op te vatten als strekkende tot een verbod van uitzetting, zolang nog niet op het ingediende beroepschrift is beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening en ongegrondverklaring van het beroep met toepassing van artikel 8:86 Awb. De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2001. Verzoeker was ter zitting aanwezig. Ter zitting hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. 2. OVERWEGINGEN Ten aanzien van de voorlopige voorziening Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van de Awb kan de president, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Ten aanzien van het beroep Verzoeker legt aan de aanvraag ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf met als doel verblijf bij Nederlandse echtgenote, B (hierna te noemen: referente). Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld. Verweerder heeft de bestreden beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. Verzoeker is niet in het bezit van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Ten aanzien van verzoeker is geen vrijstellingscategorie van toepassing. Voorts is verweerder van oordeel dat geen sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden dat om die reden moet worden afgezien van het mvv-vereiste. Hoewel het onderzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken naar de geboorteakte van referente door een misverstand is vertraagd, is niet gebleken dat het onderzoek onredelijk lang heeft geduurd. Tevens is niet gebleken dat verzoeker onredelijk is benadeeld door de duur van het onderzoek omdat de misverstanden en vertragingen zijn opgetreden na 11 december 1998, dus na de invoering van het mvv-vereiste. Hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de lange duur van de legalisatieprocedure kan overigens in de onderhavige zaak niet worden betrokken, omdat hiertegen een afzonderlijke rechtsgang openstaat. Verzoeker is niet vrijgesteld van het mvv-vereiste vanwege een medische behandeling, omdat niet hijzelf maar referente een medische behandeling ondergaat. Daarbij is niet gebleken dat de gezondheidstoestand van referente dusdanig is dat verzoeker om die reden zou moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. De tegenwerping van het mvv-vereiste vormt geen inbreuk op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoeker is niet gehoord ingevolge artikel 32, tweede lid, Vw (oud) omdat uitzetting in bezwaar niet achterwege zou blijven. Verzoeker bestrijdt dit besluit en voert daartegen aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat het onderzoek door de Minister van Buitenlandse Zaken niet onredelijk lang heeft geduurd. Verzoeker en referente hebben toen zij in 1996 relatie kregen direct actie ondernomen om gelegaliseerde en geverifieerde documenten te verkrijgen teneinde te kunnen huwen. Zij hebben voorts alle rechtsmiddelen ingesteld om een beslissing van de Minister van Buitenlandse Zaken te verkrijgen op hun verzoeken. Het heeft echter tot juni 2000 geduurd voor de stukken van referente waren gelegaliseerd met als gevolg dat het huwelijk pas op 24 juli 2000 plaats heeft kunnen vinden. De lange duur van de legalisatieprocedure moet in onderhavige zaak worden betrokken. De vertraging in het onderzoek naar de geboorteakte van referente heeft niet alleen na 11 december 1998 plaatsgevonden. Verzoeker kan niets worden verweten en de lange duur van de procedure dient dan ook niet voor zijn rekening te komen. Te meer nu referente ook via civiele procedures heeft getracht om met verzoeker in het huwelijk te kunnen treden. Verzoeker is van mening dat niet verweerder maar een arts dient te beoordelen of referente ondersteuning behoeft vanwege haar gezondheidssituatie. Zonder die beoordeling kan niet worden vastgesteld of handhaving van het mvv-vereiste een onbillijkheid van overwegende aard is. Er is tot slot sprake van een schending van artikel 8 EVRM. Het persoonlijk belang van verzoeker en zijn gezin zijn in casu doorslaggevend. Verzoeker had in bezwaar moeten worden gehoord. De president overweegt als volgt. Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in werking getreden. Uit de structuur van de artikelen 117 tot en met 120 van de Vw en de tekst van artikel 117 en 118 Vw volgt dat aan de hand van artikel 118 Vw dient te worden bepaald welk recht hangende bezwaar van toepassing is. In artikel 118, tweede lid, van de Vw is, voor zover van belang, bepaald dat op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van de oude Vreemdelingenwet (Vw oud) het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing blijft. Over deze bepaling is in de Memorie van Toelichting (TK, 26732, nr. 3, p. 94) opgemerkt dat op het bezwaarschrift moet worden beslist met inachtneming van de nieuwe wet. Een bepaling van deze strekking is niet opgenomen, aldus de Memorie van Toelichting, omdat reeds uit de hoofdregel van het algemeen bestuursrecht volgt dat in bezwaar ex nunc wordt getoetst. Naast deze hoofdregel is voor de toetsing in bezwaar van belang dat krachtens artikel 7:11 Awb een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt. Bij zijn primaire besluit van 8 september 2000 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een machtiging tot voorwaardelijk verblijf (mvv). Hoewel het mvv-vereiste onder de Vreemdelingenwet 2000 een afwijzingsgrond in plaats van een wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van een aanvraag is, brengt het karakter van dat besluit naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat verweerder na heroverweging van dat besluit kan volharden bij het niet in behandeling nemen van dat besluit. Daarbij is van belang dat de strekking van artikel 4:5 Awb - waarop het genoemde besluit is gebaseerd - is dat het bestuursorgaan de mogelijkheid wordt geboden tot vereenvoudigde afdoening van een aanvraag die niet voldoet aan de wettelijke vereisten. In beginsel komt met het nemen van het besluit om een aanvraag buiten behandeling te laten een einde aan het besluitvormingstraject. Dat door wetswijziging het ontbreken van het mvv-vereiste niet langer een grond is voor een besluit om de aanvraag niet te behandelen, is niet een wijziging die bij de heroverweging ingevolge artikel 7:11 Awb bij het nemen van de beslissing op het bezwaar in aanmerking moet worden genomen. Voor de beoordeling van het verzoek is derhalve (anders dan eerder door de president van deze rechtbank is overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 16 mei 2001, Jub 2001, nr. 618) bepalend of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren de bij het mvv-vereiste behorende hardheidsclausule toe te passen. Artikel 16a, zesde lid, Vw oud bevatte een hardheidsclausule waarin is bepaald dat Onze Minister in zeer bijzondere, individuele gevallen voor het in behandeling nemen van de aanvraag om toelating kan afzien van het eisen van het bezit van een geldige mvv. Tussen partijen staat vast, en ook voor de president is gebleken, dat eiser niet beschikt over een geldige mvv en niet valt onder één van de vrijstellingscategorieën. Derhalve ligt de vraag voor of de situatie van verzoeker kan worden aangemerkt als een bijzonder, individueel geval, als bedoeld in artikel 16a Vw (oud). Dienaangaande overweegt de president als volgt. Uit het dossier blijkt het volgende. Referente heeft op 18 maart 1997 een geboorteakte ter legalisatie en verificatie aangeboden bij de Minister van Buitenlandse Zaken. Zij heeft vervolgens op 11 augustus 1997 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op deze aanvraag. Op 26 januari 1998 heeft zij beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft vervolgens op 22 juli 1998 alsnog een beschikking in eerste aanleg genomen waarin is geweigerd de geboorteakte van referente te legaliseren en te verifiëren. Het bezwaar van referente tegen het uitblijven van een beschikking is voorts aangemerkt als bezwaar tegen de beslissing van 22 juli 1998. De rechtbank te Amsterdam, waar referente op 26 januari 1998, beroep had ingesteld tegen het uitblijven van een beschikking op bezwaar, heeft de zaak aangehouden. Er volgde op 12 november 1998 een hoorzitting bij de Ministerie van Buitenlandse Zaken. Naar aanleiding van deze hoorzitting is een onderzoek gestart bij de Registar of Births and Deaths te Ghana. In april 1999 bleek dat het dossier bij de Nederlandse vertegenwoordiging te Ghana abusievelijk als afgehandeld stond aangemerkt. Op 31 mei 1999 is de Registrar alsnog verzocht onderzoek te verrichten. Op 24 december 1999 heeft de Registrar het gevraagde onderzoek verricht. In januari 2000 berichtte de Registrar dat de geboorteakte van referente toch klopte, hetgeen er toe geleid heeft dat de Nederlandse Ambassade de opdracht heeft gekregen de geboorteakte van referente te legaliseren. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij door de voornoemde gang van zaken niet eerder dan 24 juli 2000 met referente in het huwelijk kon treden en dus niet voor 11 december 1998, de invoering van het wettelijk mvv-vereiste, de door hem gewenste aanvraag voor verblijf bij Nederlandse echtgenote kon indienen. De president is met verzoeker van oordeel dat de procedure bij de Minister van Buitenlandse Zaken ter legalisatie en verificatie in casu onredelijk lang heeft geduurd. Tussen de datum van de aanvraag 18 maart 1997 en de datum van de invoering van het mvv-vereiste, 12 december 1998, is een jaar en negen maanden verstreken, zonder dat de Minister van Buitenlandse Zaken op enig moment heeft aangegeven waaraan de vertraging in de besluitvorming te wijten was. Uit het dossier, noch het verhandelde ter zitting, blijkt dat de lange duur van de legalisatieprocedure gerechtvaardigd was door bijvoorbeeld de aard en omvang van het te verrichten onderzoek. Tevens is niet gebleken dat de ontstane vertraging aan verzoeker of referente is te wijten, te meer nu referente uiteindelijk in het gelijk is gesteld en alle rechtsmiddelen die tot haar beschikking stonden heeft aangewend om tijdig te kunnen beschikken over de benodigde documenten om te kunnen huwen met verzoeker. De president acht in het kader van het beroep op de hardheidsclausule voorts van belang dat referente naast de geëigende weg om via de Minister van Buitenlandse Zaken over de benodigde documenten te kunnen beschikken, voor 12 december 1998 ook op andere wijzen heeft getracht een huwelijk tussen haar en verzoeker te laten voltrekken. Uit het dossier is gebleken dat referente op 24 juli 1998 een verzoek heeft ingediend bij de kantonrechter te Amsterdam om afgifte van een akte van bekendheid ex artikel 1:59 van het Burgerlijk Wetboek (BW), welk verzoek op 20 augustus 1998 is afgewezen. Voorts heeft zij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam op 9 september 1998 verzocht om ingevolge artikel 1:45, derde lid, BW getuigenverklaringen te mogen overleggen teneinde te bewijzen dat zij geen geboorteakte of akte van bekendheid kan overleggen, welk verzoek op 17 september 1998 is afgewezen. Referente heeft tegen deze beslissing op 8 oktober 1998 bezwaar gemaakt. De lange duur van de legalisatieprocedure, het feit dat referente in die procedure uiteindelijk in het gelijk is gesteld en de omstandigheid dat referente alle mogelijke rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag om legalisatie en verificatie van haar geboorteakte, in combinatie met het feit dat zij ook via civiele procedures heeft getracht aan de benodigde papieren te komen om te kunnen huwen, leidt er naar het oordeel van de president toe dat verweerder in casu nader had moeten motiveren waarom deze omstandigheden geen aanleiding vormden om gebruik te maken van de hardheidsclausule. Aannemelijk is immers dat verzoeker als gevolg van de ontstane vertraging niet voor de invoering van het mvv-vereiste een aanvraag voor verblijf bij echtgenote heeft kunnen doen. Het beroep is mitsdien gegrond. De overige grieven van verzoeker behoeven thans geen bespreking meer. De bestreden beschikking kan niet in stand blijven. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Nogmaals in de voorlopige voorziening Na deze uitspraak treedt de fase van bezwaar opnieuw in. In artikel 118, tweede lid, Vw is bepaald dat op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit dat bekend is gemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe Vreemdelingenwet, het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing blijft. Verweerder heeft reeds bij de bekendmaking van de primaire beschikking bepaald dat verzoeker de behandeling van een eventueel in te dienen bezwaarschrift niet in Nederland af mocht wachten. Artikel 118, tweede lid, Vw brengt met zich mee dat deze beslissing nog van kracht is. Verzoeker heeft dan ook nog steeds een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Nu verweerder opnieuw een standpunt zal dienen in te nemen met betrekking tot vrijstelling van het mvv-vereiste, kan het bezwaar een redelijke kans van slagen niet ontzegd worden en dient uitzetting achterwege te blijven. De president ziet aanleiding daartoe een voorlopige voorziening te treffen. Ten aanzien van de voorlopige voorziening en het beroep In dit geval ziet de president aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ 2.130,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt 710,--). Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal ƒ 225,-- dient te vergoeden. 3. BESLISSING De president: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen een termijn van 14 weken opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van verzoeker, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet voldoen; wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad ƒ225,--; wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; verbiedt verweerder verzoeker uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist; veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 710,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet voldoen; wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad ƒ225,--. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.H. van Meegen, president, en uitgesproken in het openbaar op 1 november 2001 in tegenwoordigheid van mr. M.E.C. Bakker als griffier. afschrift verzonden op: 13 november 2001 RECHTSMIDDEL Tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Artikel 85 Vw bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.